Op 7 en 8 september 2010 werd een archeologische begeleiding uitgevoerd door Archeologie West-Friesland op het achterterrein aan de Zesstedenweg 159 in Grootebroek. In 2012 werd dit onderzoek verder uitgewerkt. De verwachting was met name hoog voor bewoningssporen uit de Bronstijd en voor overblijfselen van het middeleeuwse St. Elizabethklooster dat hier in het verleden stond. Het klooster werd gesticht in het begin van de 15de eeuw. Over de aanwezige gebouwen die op het terrein stonden en over de indeling van het complex en de veranderingen daarbinnen in de loop van de tijd, is niet veel bekend.

Tijdens de begeleiding kwamen verschillende funderingen van muren en uitbraaksleuven tevoorschijn. In de noordwest-hoek van de bouwput werd een relatief zware muurfundering gevonden. De fundering maakte een haakse hoek en was opgebouwd uit rood en oranjerood baksteen. De onderzijde had een breedte van 55 tot 60 cm, de bovenzijde was tweesteens. Mogelijk stond er oorspronkelijk een tweesteens muur op. Ondanks de variërende baksteenformaten ging het om primair bouwmateriaal.

Op de zuidelijke helft van de bouwput werden enkele brede uitbraaksleuven gevonden. Mogelijk behoren deze samen met het muurwerk bij het oorspronkelijke kloostercomplex. Wellicht kan een deel van de overige uitbraaksleuven worden geïnterpreteerd als de restanten van een insteekhaven die in de loop der tijd opschoof. De tegenwoordige haven ligt hier nog steeds vlakbij.

In het opgegraven klooster Bethlehem aan de Bangert in Blokker werden vergelijkbare structuren aangetroffen. Mogelijk waren er meer overeenkomsten met dit klooster. Een vergelijking tussen beide complexen en de omliggende percelen doet vermoeden dat er aan de Zesstedenweg grote delen van het kloostercomplex in de bodem aanwezig zijn. De resten van de hoofdgebouwen zullen zich waarschijnlijk vooral in het vierkant tussen de Zesstedenweg, de sloot ten westen van de Sint Elisabethstraat en de noordwesthoek van het Medisch Kinderdagverblijf bevinden. Hierbij kan men denken aan een kloostergang met in het midden een begraafplaats, een kerk of kapel, de slaapvertrekken van de monniken en andere gebouwen. In analogie met klooster Bethlehem kunnen in het gebied ten zuiden hiervan tot aan de Tocht, sporen worden verwacht van een haven met een complex slotensysteem, waterputten, andere bijgebouwen zoals bijvoorbeeld een brouwerij en andere sporen. Een groot deel van de sporen ligt redelijk diep waardoor ondanks de bestaande bebouwing veel bewaard zal zijn gebleven.

Naast de sporen kwamen er ook veel vondsten van het terrein. Net iets meer dan de helft van de keramiek (MAE) kwam uit de periode 1400-1550. Noemenswaardig is een fragment van een kom met standring. Deze kom is geheel voorzien van witte slib en inwendig geglazuurd. Aan de binnenzijde zijn groene strepen aanwezig.

Van de metaalvondsten verdient en er een wat meer aandacht. Het betreft een ronde platte schijf van lood met een diameter van 32 mm. In het midden bevindt zich een gat van 13 mm in diameter. De schijf is aan weerszijden versierd met een soort geometrische versiering van onregelmatige streepjes haaks op het gat. Het lijkt wel alsof er geprobeerd is een soort ‘runen’-achtig schrift na te bootsen.

Dit soort schijven is meerdere malen in West-Friesland gevonden in een middeleeuwse context. De versiering varieert tussen dit onregelmatig pseudo-schrift tot gelijkmatig verdeelde strepen en blokken. De schijven zijn mogelijk als spinklos of spinlood gebruikt bij het spinnen van wol tot garen, al zijn er ook lieden die eerder een amulet in de objecten zien. Het lood is gezien de datering een indicator van bewoning in de Middeleeuwen voor de bouw van het klooster in Grootebroek.


Deze tekst is geschreven door Sander Gerritsen en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2010. In het rapport zijn de laatste resultaten en conclusies te lezen.


Download hier het volledige rapport