In verband met de geplande sloop van een deel van de bebouwing van het voormalige ziekenhuis en de herontwikkeling van het plangebied is van 19 juli tot en met 1 september 2011 op het binnenterrein van het voormalige Snouck van Loosenziekenhuis in Enkhuizen een opgraving uitgevoerd. Dit terrein ligt in een deel van de binnenstad dat wordt omsloten door de Vijzelstraat, het Doelenlaantje, het Spaans Leger en het Sijbrandsplein. Vooruitlopend hierop is in 2010 een proefsleuvenonderzoek op het terrein uitgevoerd.

Op een deel van het opgravingsterrein bleek ruim een meter onder het maaiveld een dikke veenlaag van maximaal 1 m dik aanwezig te zijn. Het veen lag in bulten en was op andere delen van het terrein geheel afwezig. Daar lag soms wel een venige kleilaag, die op natuurlijke wijze moet zijn afgezet. Deze delen van het terrein waren vermoedelijk te nat voor veengroei. Dit klopt met het beeld dat we op basis van de historische bronnen hebben, namelijk dat dit deel van Enkhuizen tot in de 15de eeuw een rietmoeras was. Het gebied is vóór de 15de eeuw niet ontgonnen: op het terrein was geen enkele middeleeuwse ontginningsgreppel aanwezig. Daardoor bleef het veen hier behouden en konden we pollenmonsters nemen om de ontwikkeling van de natuurlijke vegetatie te bestuderen. De resultaten van dit onderzoek zijn op dit moment nog niet beschikbaar.

De oudste ophogingslagen van klei, plaggen en mest met soms afval erin dateren uit omstreeks 1500. Het vondstmateriaal dateert niet lang na 1489, toen het gebied aan de westzijde van de Vijzelstraat binnen de stadsomwalling werd getrokken. Een van de vondsten is een complete puntneuskruik, die is gemaakt in Aken of Raeren in de periode 1475-1525. Bij de aanplemping van dit natte gebied is gebruikgemaakt van houten schotten om de opgebrachte grond in de slappe bodem op zijn plek te houden. Eén van die schotten was een hergebruikt stuk van de huid van een schip, waarvan de huidplanken nog met nagels aan elkaar bevestigd waren. Het schot van scheepshuid was in de bodem verankerd met paaltjes, maar door de druk van de bodem was de constructie volledig platgedrukt. Enkele planken zijn bemonsterd voor dendrochronologisch onderzoek en hieruit is gebleken dat het schip omstreeks 1480 moet zijn gebouwd.

In de 16de eeuw was het binnenterrein nog niet bebouwd. De huizen stonden langs de Vijzelstraat, het Sijbrandsplein, het Spaans Leger en het Doelenlaantje. Op het terrein lagen wel enkele afvalkuilen met vondstmateriaal van de bewoners van die huizen. Uit een van de kuilen kwamen veel complete voorwerpen, waaronder bakpannen, grapes en een steengoedkan versierd met eikenbladeren en eikels. De kan is rond 1530-1550 in Keulen gemaakt. Een andere bijzondere vondst is een terracotta ruitertje. Het kan speelgoed zijn, maar ook een schaakstuk. Uit de Middeleeuwen kennen we benen en ivoren schaakstukken die sterk aan dit ruitertje te paard doen denken.

Een deel van het terrein is pas rond 1580/1585 opgehoogd. Kennelijk was hier nog lang een laagte aanwezig, die is opgevuld met een grote hoeveelheid stadsafval. Hieruit is zoveel mogelijk materiaal verzameld, waaronder scherven uit Duitsland (steengoed, Werra- en Weseraardewerk), Frankrijk (aardewerk uit Beauvais) en Italië (faience uit Ligurië). Verder zijn veel metalen voorwerpjes gevonden, onder andere een tinnen fluitje met bovenop een vogeltje. Uit het stadsafval komen ook veel leren schoenen en een grote leren werkhandschoen. Bijzonder is de vondst van een deel van een beschilderd natuurstenen beeld. Het gaat om het middenstuk van een vrouwelijke heilige. Haar gewaad is met bladgoud bedekt en in haar handen heeft ze een mand die nu zwart van kleur is, maar mogelijk was de mand oorspronkelijk wit en is de loodoxide in de verf zwart uitgeslagen. De mand is gevuld met fruit of bloemen waarop een rode verf zichtbaar is. Het zou een fragment van een beeld van St. Dorothea kunnen zijn; deze heilige heeft namelijk als attribuut een mand met appels en rozen. De sporen van de oudste bebouwing op het terrein dateren uit het einde van de 16de eeuw. Vanaf dat moment raakte het binnenterrein geleidelijk bebouwd. Er werden straten aangelegd waaraan de huizen werden gebouwd. Van een van de huizen zijn de fundamenten van de schoorsteen en een stenen poer teruggevonden. Tegen het schoorsteenfundament zat een dikke aslaag met daarin de restanten van een eenvoudige aspot. Het was een afgedankte grape waarvan de rand en de oren waren afgeslagen. Van het huis is verder weinig teruggevonden. Dat gold ook voor de andere huizen die hier in de 17de en 18de eeuw hebben gestaan. Aan het eind van de 18de eeuw en in de 19de eeuw zijn de fundamenten van deze huizen tot en met de onderste stenen gesloopt. Slechts grote kuilen met afgedankt puin en afgebikte mortelbrokken bleven over. In die periode was de armoede in Enkhuizen groot en zelfs aan het puin viel nog iets te verdienen. Het gevolg is dat de plattegronden van de huizen niet meer zijn te reconstrueren. Soms resteerden nog wel dieper ingegraven structuren, zoals waterputten of kelders.

Ook het afval van de bewoners van deze wijk is gevonden. Een leuke vondst is een metalen beslagstukje in de vorm van een buste van een man met kraag. Het is een portret van prins Maurits. Op 29 juli 1614 bezocht prins Maurits als stadhouder van de Republiek samen met zijn broer Frederik Hendrik de stad Enkhuizen. Wellicht dateert het beslagstukje uit die tijd.


Deze tekst is geschreven door Christiaan Schrickx en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2011. Op dit moment wordt dit project uitgewerkt. In het rapport zullen de laatste resultaten en conclusies te lezen zijn. Als het project is uitgewerkt, zal het rapport op deze pagina te downloaden zijn.