In opdracht van het Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier (HHNK) is door Archeologie West-Friesland een archeologische begeleiding uitgevoerd binnen het plangebied Blokdijk (2011) en Burgemeester J. Zijpweg (2012) in de gemeente Drechterland, en het plangebied Kooiland (2013) in de gemeente Medemblik. Op de locatie Blokdijk werden vrijwel geen archeologische resten aangetroffen.

 

Burgemeester J. Zijpweg

Al in 2012 kwamen bij graafwerkzaamheden voor de aanleg van een waterberging door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier aan de Burg. J. Zijpweg sporen uit de Bronstijd tevoorschijn. Uit het vooronderzoek bleek dat het natuurlijk bodemprofiel vermoedelijk tijdens ruilverkavelingswerkzaamheden was verstoord. In combinatie met het ontbreken van archeologische indicatoren werd daarom de kans klein geacht dat hier nog een vindplaats aanwezig zou zijn. Het kwam dan ook als een redelijke verrassing toen bij het verwijderen van de teelaarde een wir-war van sporen tevoorschijn kwam.

Na deze constatering werden de werkzaamheden archeologisch begeleid door Archeologie West-Friesland. Diverse grote greppelsystemen uit voornamelijk de Midden-Bronstijd werden blootgelegd. Deze systemen bestonden uit grillig gegraven greppels die vaak meerdere keren waren uitgegraven. Binnen een deel van de greppelssystemen waren vermoedelijk akkers aanwezig. Een ander deel van de systemen zullen waarschijnlijk huisplaatsen hebben omgeven.

Een van de onderzochte greppels in het middendeel van de langgerekte werkput viel op vanwege de inhoud. Het bleek om een uiterst vondstrijke greppel te gaan. Doorgaans bevatten greppels uit de Bronstijd – met uitzondering van huisgreppels – niet veel vondstmateriaal. Tijdens de aanleg van dit deel van de werkput kwamen al diverse stukken keramiek- en botfragmenten tevoorschijn. In een kleine coupe die werd gemaakt kwamen vervolgens 24 keramiek- en 25 dierlijk botfragmenten tevoorschijn. Opvallend was dat het aardewerk uit het spoor dateerde uit zowel de Midden- als Late Bronstijd. Een van de vondsten, een bakje met een magering van steen en potgruis, is zeker in de Late Bronstijd te dateren.

Het voorkomen van aardewerk uit zowel de Midden-Bronstijd als Late Bronstijd uit één context lijkt vaker voor te komen in West-Friesland. De kans is groot dat een deel van de scherven die worden gedetermineerd als Midden-Bronstijd aardewerk in feite Late Bronstijd aardewerk betreft. Dit geldt met name voor het grovere materiaal en de grotere vormen zoals ton- en emmervormen. Dit is een belangrijk gegeven omdat er hierdoor waarschijnlijk vindplaatsen zijn die op basis van het voorkomen van voornamelijk grotere vormen in de Midden Bronstijd zijn geplaatst maar wezenlijk jonger zijn.

In het noorden van het ontgraven deel werd een zone met minimaal acht kringgreppels of delen daarvan onderscheiden. Ze hadden allemaal een diameter tussen 4 en 4,5 m. Hoewel hier mogelijk een verband bestaat tussen de aanwezigheid van kringgreppels en huisplaatsen, werden nergens delen van huisplattegronden aangetroffen. Naar aanleiding van het onderzoek werd het oorspronkelijke plan voor de waterberging aangepast waarbij de archeologische resten in het zuidelijk deel in situ worden behouden. Verwacht wordt dat in dit deel meerdere huisplaatsen aanwezig zullen zijn en dat het nederzettingscomplex zich buiten het plangebied naar het westen, oosten en zuiden toe uitstrekt.

 

Kooiland

Bij de aanleg van een waterberging in het plangebied Kooiland, kwam een vreemde structuur uit vermoedelijk de Midden-Bronstijd tevoorschijn. De structuur bezat twee delen. Het westelijke deel bestond aan de noordzijde uit een aantal losse kuilen en aan de zuidzijde uit langgerekte greppels en kuilen. Het oostelijke deel van de structuur betrof een rechthoekige (bijna vierkantige) greppel. Deze greppel was minimaal een keer opnieuw uitgegraven. Het is goed mogelijk dat het oostelijke deel een soort latere kopie is van het westelijke deel, aangezien de afmetingen een grote gelijkenis vertonen.

In eerste instantie leken de sporen het restant van huisgreppels. Deze flankeren in de regio doorgaans de stijlrijen (rijen van dakdragende palen) van de huisplattegronden. In veel gevallen bezitten deze greppels een opening aan de kopse kant van de plattegrond op de plek waar de ingang wordt vermoed. De onderlinge afstand van de greppels uit de gevonden structuur bedroeg echter 6,5 m terwijl de afstand van huisgreppels in de regio doorgaans tussen de 9 en 11 m ligt. Er lijken wat overeenkomsten met eerder gevonden andersoortige structuren in de directe omgeving en in de buurt van Hauwert maar eenduidig is het niet. De vindplaats ligt op nog geen 40 m ten noorden van de meest noordelijk grafheuvel van de ‘Eendenkooi-groep’, mogelijk kunnen de aangetroffen sporen daarmee in relatie worden gebracht.


Deze teksten zijn geschreven door Sander Gerritsen en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2014. In het rapport zijn de laatste resultaten en conclusies te lezen.


Download hier het volledige rapport