In de periode tussen 22 mei en 6 juni 2012 werd door Archeologie West-Friesland een inventariserend veldonderzoek door middel proefsleuven en boringen uitgevoerd aan de Schaperstraat in Grootebroek, gemeente Stede Broec. Voor het gebied direct tegen het dorpslint aan (zone 1) was de verwachting hoog voor de aanwezigheid van bewoningssporen uit zowel de Bronstijd als de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Voor het deel verder van het lint af was de verwachting met name hoog voor sporen uit de Bronstijd (zone 2).

In zone 1 werden vijf boringen gezet om te onderzoeken of de bodemopbouw intact was. De bevindingen werden daarna met één proefsleuf in het midden van de zone getoetst. Hieruit bleek dat de bovenzijde door recente graafwerkzaamheden was verstoord. Het dikke pakket ophogingen die hier vanaf de Middeleeuwen werden aangebracht hebben er echter voor gezorgd dat de diepere sporen uit de Nieuwe Tijd en alle sporen uit de Bronstijd en de Middeleeuwen hier nog intact zijn.

De oudste sporen in zone 1 konden in de Midden- of Late Bronstijd (1500 – 800 v. Chr.) worden gedateerd. Het ging waarschijnlijk om een greppel en een kuil. Hiernaast werd een zone met duidelijke krassen van een eergetouw waargenomen. Deze waren zuidwest-noordoost en haaks hierop georiënteerd. Tussen de krassen werden op enkele locaties indrukken van vee gevonden. Op deze plek was het vlak net even schuin aangelegd en kwamen de krassen net onder een grijze laag tevoorschijn. Het is heel waarschijnlijk dat de krassen die zeer ondiep zijn zich in de gehele sleuf bevonden en dat de laag mogelijk als akkerlaag moet worden geïnterpreteerd.

Een groot deel van de ophogingslagen dateerde uit de 15de eeuw. Aan de noordzijde leken deze lagen weg te duiken. Mogelijk lag hier oorspronkelijk een sloot parallel aan de weg. Onder deze lagen werden enkele fragmenten kogelpot aangetroffen. Mogelijk is dit een indicatie dat de sloot in of niet zo lang na de ontginning is gegraven. Andere sporen uit de Middeleeuwen zijn meerdere en deels overlappende rechthoekige kuilen. De enige kuil waarvan de dimensies konden worden bepaald, had een afmeting van 0,9 x 1,4 m. De diepte bedroeg 0,2 m. Dit soort – meestal vondstloze – kuilen worden in de regio regelmatig gevonden en worden meestal geïnterpreteerd als daliegaten. Uit de Nieuwe Tijd werd een uitgebroken kelder of poer teruggevonden en een diepe ronde kuil.

In de langere sleuven in zone 2 werd duidelijk hoeveel sporen uit de Bronstijd nog aanwezig waren. Er werd een complex perceleringssysteem gevonden van overwegend noordwest-zuidoost of haaks hierop georiënteerde greppels. Hiernaast lagen over het gehele terrein verspreid clusters van kringgreppels. Op in ieder geval twee plaatsen konden kuilenkransen worden gereconstrueerd. Op vier locaties werd een verzameling paalkuilen gevonden. De combinatie met flankerende greppels doet vermoeden dat het hier om huisplattegronden gaat.

Een opvallend fenomeen was dat meerdere greppels uit de Bronstijd in de Middeleeuwen opnieuw werden uitgegraven. In de Middeleeuwen moeten deze greppels als depressie in het landschap zichtbaar zijn geweest. Dit betekent dat in deze periode een groot deel, of mogelijk al het veen reeds verdwenen was. In de omgeving van Grootebroek zijn in de historische verkaveling, en soms in de huidige bebouwing, nog oriëntaties aanwezig die niet stroken met die van het lint. Bekend zijn bijvoorbeeld het buurtje De Horn ten noorden van Lutjebroek, maar ook dichterbij zijn er slotenpatronen te vinden die duidelijk afwijken van de gangbare richtingen. Mogelijk zijn deze afwijkingen te verklaren door de sporen uit de Bronstijd die er onder lagen. Een ander deel van de sporen bestond uit kuilen. Deze kuilen hadden in het vlak over het algemeen een ronde tot ovale vorm met een omvang van 3-4 m diameter. Bij het verdiepen en couperen van de sporen, bleken allen een meer rechthoekige vorm te hebben, waarbij de korte zijde steeds parallel aan het lint lag. De lengte-breedte ratio was variabel, maar lag gemiddeld rond 3:2. De diepte van de kuilen lag rond de 0,8-1,0 m. De verspreiding leek zich opvallend genoeg te beperken tot de westzijde van het terrein.

Dit soort kuilen wordt vaker aangetroffen in West-Friesland en andere (oorspronkelijke) veengebieden van Noord-Holland en worden vaak geïnterpreteerd als middeleeuwse daliegaten. Men gaat er vanuit dat deze gaten werden gegraven, om met de opgegraven kalkrijke ondergrond de zure veengrond te neutraliseren en zo de bodem te verbeteren, ten behoeve van de akkerbouw.

Uit een van de kuilen kwam een vrijwel complete grote kogelpot. Op basis van de vorm, het baksel en het feit dat de pot was bijgedraaid op een draaischijf kon de pot in de periode 1275-1325 worden gedateerd. Uit de kuil kwamen naast deze pot ook enkele brokken hutteleem met indrukken van organische materiaal tevoorschijn.

Het overgrote deel van het aardewerk dat in zone 1 dicht op het lint werd gevonden kon in de periode 1375-1425 worden gedateerd. De scherven waren vrij gefragmenteerd, maar de aanwezigheid van deze stukken is belangwekkend omdat deze periode niet sterk vertegenwoordigd is binnen West-Friesland.


Deze tekst is geschreven door Sander Gerritsen en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2012. In het rapport zijn de laatste resultaten en conclusies te lezen.


Download hier het volledige rapport