Op het terrein van zadenbedrijf Incotec aan het Westeinde in Enkhuizen, is vanwege de voorgenomen uitbreidingen een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan vond een klein aanvullend onderzoek plaats. Het onderzoek kwam in drie fases tot stand. Het eerste deel van het onderzoek langs het lint werd in april uitgevoerd, het tweede deel op het achterterrein, in mei. Het aanvullende onderzoek vond in juli plaats.

In de eerste fase werden vier proefsleuven en -putten aangelegd op ca. 50 m van de weg. In deze sleuven kwamen sporen uit diverse perioden tevoorschijn. Een beetje tegen de verwachting in werden geen bewoningsresten of erfgreppels uit de Midden – of Late Bronstijd aangetroffen. Op een aantal locaties werden wel de hoefafdrukken van vee uit deze periode gevonden.

De oudste sporen die hoogstwaarschijnlijk direct met bewoning in verband kunnen worden gebracht zijn de resten van een opgehoogd plateau uit de Late Middeleeuwen. In deze periode werd een deel van het terrein opgehoogd vermoedelijk om op te wonen. De aanleg van de huisterp vond plaats in meerdere fases gedurende de tweede helft van de 12de eeuw. Opvallend was dat de noordelijke begrenzing van de huisterp op 60 m vanaf het Westeinde lag. Blijkbaar lag in ieder geval een deel van de huizen in deze periode niet direct langs het lint. Duidelijke sporen van een huis ontbraken waardoor vermoed wordt dat het huis meer naar het oosten toe lag. De huisterp leek vanaf het oosten naar het westen toe enkele keren verbreed te zijn. In het westen werd het woonperceel begrensd door een sloot die o.a. grote stukken kogelpot en geïmporteerde stukken uit het Maasland bevatte.

De oudste middeleeuwse sporen dateren uit de fase voorafgaand aan de huisterp. Onder de ophogingslagen kwamen enkele grote rechthoekige kuilen tevoorschijn die als daliegaten kunnen worden geïnterpreteerd. Deze kuilen werden gegraven in de ontginningsfase. Met behulp van de kalkrijke ondergrond werd het veen geschikt gemaakt voor akkerbouw. Door het ontbreken van vondstmateriaal konden deze kuilen niet nader gedateerd worden.

In de periode na de huisterp werd het gebied aanzienlijk opgehoogd. Het grootste deel van het opgehoogde pakket bevatte alleen maar kleine fragmenten laatmiddeleeuws aardewerk. Waarschijnlijk kan een deel hiervan gezien worden als opspit dat afkomstig is van de huisterp. Het ontbreken van mortel, fijn baksteenpuin en jongere vondsten doet vermoeden dat deze ophoging wel grotendeels al in de Late Middeleeuwen plaatsvond. Mogelijk verplaatste de bewoning zich in de loop van deze periode tot dichter tegen het lint aan en werden deze hogere delen in gebruik genomen als akkerland.

Uit de vroege 18de eeuw dateren enkele as- en afvalkuilen. In deze periode werd een rij askuilen gegraven die haaks op de perceelsrichting stond. Mogelijk markeren deze kuilen de grens van het woonperceel. In de kuilen werd tussen de tabakspijpen en afgedankte huisraad enkele opmerkelijke vondsten gedaan. Een zeldzame fles uit Japan dateert uit het laatste kwart van de 17de eeuw. Het betreft een porseleinen imitatie van de gangbare Europese glazen fles uit deze tijd. Fragmenten van deze witte onversierde porseleinen flessen worden wel eens vaker gevonden, maar zelden zo compleet.

Uit de kuil komen verder een zeer grote azuurblauwe glazen mandfles en een complete kelderfles.

De meest recente sporen werden gevormd door twee dichtgegooide moderne aanlegplaatsen van schuiten. Deze aanlegplaatsen waren en zijn nog steeds gemeengoed in De Streek. Tijdens eerdere onderzoeken in Bovenkarspel en Hoogkarspel werden dergelijke structuren al eerder aangetroffen. De oudste dateerde uit de 16de eeuw. Tijdens het onderzoek aan Westeinde werden naast de moderne geen aanwijzingen voor oudere aanlegplaatsen gevonden. Mogelijk lagen deze op dezelfde locatie en werden ze bij de bouw van de moderne plaatsen, vergraven.

Het tweede deel van het inventariserend onderzoek vond plaats op het achterterrein. Hier werden geheel volgens verwachting sporen aangetroffen uit waarschijnlijk de Midden-Bronstijd. Het ging om kuilen, nederzettings- of erfgreppels en kuilenkransen en kringgreppels. Huisplaatsen en bijgebouwen werden niet aangetroffen. Het lijkt er op alsof de proefsleuven vooral de periferie van de nederzetting hebben aangesneden. Op basis van het onderzoek kon worden geconcludeerd dat de sporen van de nederzetting zich waarschijnlijk ten noordwesten en westen van het onderzochte terrein bevinden. Een van de belangrijkste vragen die moest worden beantwoord was in hoeverre het terrein was verstoord tijdens de ruilverkavelingen van de vorige eeuw. Het bleek mee te vallen. Het terrein was geëgaliseerd waarbij de oorspronkelijk hoogste delen slechts licht verstoord waren. De overig delen waren vrijwel ongeschonden. Hier waren de relevante delen van de bodemopbouw nog geheel intact.


Deze tekst is geschreven door Sander Gerritsen en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2013. In het rapport zijn de laatste resultaten en conclusies te lezen.


Download hier het volledige rapport