Op dit perceel langs het oude dorpslint van Oostwoud stonden twee grote stolpboerderijen achter elkaar. Beide monumentale stolpen zijn in april 2013 gesloopt ten behoeve van nieuwbouw. Voorafgaand aan de sloop is een bouwhistorische opname van beide stolpen gedaan. Monsters van het houtskelet (het vierkant) van de voorste stolpboerderij zijn gedateerd door middel van dendrochronologisch onderzoek en hieruit blijkt dat de stolp rond 1625 is gebouwd. Op basis van historische en cartografische gegevens kan de bouw van de achterste stolp in 1881 worden geplaatst. De voorste stolpboerderij is in 1924 verbouwd, waarbij de west- en zuidgevel opnieuw zijn opgetrokken naar een ontwerp van architect Dirk Saal (1884-1945) in de traditie van de Amsterdamse School.

In december 2013 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd op het perceel. Hierbij zijn onder meer de ondergrondse structuren van beide stolpen onderzocht, zoals kelders, funderingen en waterputten. Ook werden sporen gevonden die ouder zijn dan beide stolpen: twee kuilen bevatten materiaal uit de late 16de en vroege 17de eeuw. Mogelijk zijn het resten van waterputten die horen bij een huis of boerderij die voorafgaand aan de bouw van de voorste stolp op het perceel stond. Een van deze kuilen was volgestort met verbrand gras, half verbrand hout en verbrand aardewerk. Mogelijk zorgde hooibroei voor een grote brand waardoor het toen bestaande huis in as werd gelegd. Deze catastrofe zette wellicht de bouw van de voorste stolp rond 1625 in gang.

De stolpen en het oudere huis of boerderij stonden bovenop een middeleeuwse terp. De aanleg van de terp kan door het ontbreken van importmateriaal niet nauwkeurig worden gedateerd. De vormgeving van het kogelpotaardewerk uit de terp duidt op een algemene datering in de 13de eeuw. De terp is bovenop een dikke laag veen in een aantal fasen opgeworpen, waarbij de terp steeds werd verhoogd en verbreed. Vermoedelijk ging het in de vroegste fase om een losse huisterp en werd deze in een latere fase verbonden aan een belendende huisterp. Hierdoor ontstond een langgerekte dijk- of walachtige ophoging waarop werd gewoond. Aan de noordzijde werd een steilkant gegraven om de terp te ontwateren. Het jongste materiaal uit de dempingslagen van de steilkant dateerde uit de vroege 14de eeuw. Vermoedelijk hebben de verschillende ophogingsfases elkaar snel opgevolgd. Dit is mogelijk een direct gevolg van toenemende hinder van grondwater door inklinking en oxidatie van het omringende veen. Van de middeleeuwse huizen zelf werd alleen een klein deel van de vloeren aangesneden. Vermoed wordt dat de middeleeuwse huizen met de lange zijde parallel aan de huidige Dorpsstraat lagen. Deze ligging parallel aan het lint werd eerder vermoed of vastgesteld in Wognum, Oosterleek en Spanbroek.

Uit de terplagen kwamen naast fragmenten van kogelpotten ook stukken huttenleem, brokken maalsteen van tefriet en een spinlood tevoorschijn. Het spinlood was aan één zijde versierd met kruisjes. Dergelijke spinloden worden regelmatig aangetroffen op middeleeuwse vindplaatsen in West-Friesland. Vondsten zijn onder meer bekend uit Hoorn, Enkhuizen, Westerblokker, Ursem, Wognum, Bovenkarspel en Grootebroek. Vaak zijn de spinloden voorzien van een eenvoudige radiale versiering met spaken, ruiten of chevrons.

Het onderzoek aan de Oostwouder Dorpsstraat is een mooi voorbeeld van een multidisciplinaire aanpak, waarbij bouwhistorische, dendrochronologische, archeologische en historische gegevens elkaar aanvullen en samen één verhaal vormen.


Deze tekst is geschreven door Dieuwertje Duijn en Sander Gerritsen en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2013. In het rapport zijn de laatste resultaten en conclusies te lezen.


Download hier het volledige rapport