Van 12-20 mei werd door de archeologische afdeling van het Westfries Museum, met medewerking van het Albert Egges van Giffen Instituut voor Prae- en Protohistorie te Amsterdam, een kleine opgraving verricht op het terrein van de voormalige bonbonfabriek ‘De Hoorn’ aan de Italiaanse Zeedijk te Hoorn. Op dit terrein was in de herfst van 1979 reeds een uitgebreide verkenning gedaan naar aanleiding van gevonden afvalmateriaal van een pottenbakkerij. Doel van het onderzoek was met name meer inzicht te verkrijgen in de verspreiding van het pottenbakkersafval over het terrein en het assortiment van de pottenbakker. Bovendien was de vraag, of de vele misbaksels van elders waren aangevoerd, of dat de pottenbakkerij op of in de directe omgeving van het terrein had gestaan. De resultaten worden voorlopig samengevat.

Na verwijdering van de bovengrond, konden van boven naar beneden in grote lijnen de volgende vier lagen worden onderscheiden: 1. Deels door slopers en schatgravers sterk verstoorde laag, waarin bewoningssporen en pottenbakkersafval werden aangetroffen; 2. Dik ophogingspakket; 3. Rietveenpakket; 4. Zeeklei.

Naar alle waarschijnlijkheid is deze bodemopbouw als volgt te verklaren. Na de aanleg van de zeedijk (later Italiaanse Zeedijk genoemd) heeft het land enige tijd braak gelegen. Voor de noodzakelijke ontwatering zorgde een systeen van oost-west (evenwijzig aan de dijk) verlopende greppels. Spoedig na het droogvallen zal zich vegetatie hebben ontwikkeld van riet en andere gewassen, die in een dergelijk brak nilieu plegen voor te komen.

Het dijklichaam zelf kon niet onderzocht worden, daar om technische redenen niet ver genoeg in zuidelijke richting kon worden gegraven. Wanneer de dijk precies is aangelegd, is niet bekend. In 1518 is ter plaatse een deel van de stadswal aangelegd, doch het is niet duidelijk of de dijk daar deel van uitmaakte of reeds bestond.

Vermoedelijk tegen het midden van de 16e eeuw is het terrein in korte tijd aanzienlijk opgehoogd. Het vrij homogene pakket bestaat hoofdzakelijk uit humeuze grond en mest. Een nader onderzoek van het vondstmateriaal dat uit deze laag verzameld is, zal moeten uitmaken of de genoemde datering wellicht exacter kan worden gesteld. Zoals oude stadsplattegronden ons tonen, begon men op dit gedeelte van de Italiaanse Zeedijk pas omstreeks 1600 met de bouw van huizen. De archeologische gegevens lijken dit niet tegen te spreken. Hieraan voorafgaand moet de genoemde pottenbakkerij in bedrijf zijn geweest. De stortlaag van deze pottenbakkerij bevindt zich namelijk tussen de ophogingslaag en de 17e-eeuwse bebouwingsresten. Hij begint ongeveer in het midden van het terrein en verbreedt zich in westelijke richting. Voor zover na te gaan, bedraagt de dikte van het pakket ca 0,5 m. Bij sloopwerkzaamheden, die in de zomer van 1980 plaatsvonden direct ten westen van het opgravingsterrein, is de laag wederom waargenomen. Volgens mondelinge mededeling van de sloper, zijn door hem brokken van ovenwanden en pottenbakkersafval tot op ca 100 m in westelijke richting bij sloopwerkzaamheden gevonden.

Van de pottenbakkerij is behalve de afvallaag niets aangetroffen. Mogelijk lag deze meer naar het westen. De vele ovenwandbrokstukken die zijn aangetroffen, kunnen er echter ook op duiden, dat het bedrijfje geheel gesloopt is, om plaats te maken voor de bouw van huizen omstreeks 1600. Toen men in de loop van de 17e eeuw het terrein begon vol te bouwen, zijn de afvalprodukten en brokken ovenwand veelvuldig gebruikt als vulmateriaal en versteviging van de funderingen der huizen. De mogelijkheid dat het pottenbakkersafval en de brokken ovenwand van elders in Hoorn of zelfs daarbuiten afkomstig zijn, is niet geheel uitgesloten, maar zeer onwaarschijnlijk. Zou het hier een algemene vuilnisbelt betreffen, dan verwacht men een minder homogene samenstelling van het afval, terwijl men de grote en vaak loodzware aaneengesmolten klompen aardewerk en brokken gesloopte ovenwand niet eenvoudig over grote afstand vervoeren zal.

Uit het verzamelde afvalmateriaal kan worden afgeleid, dat het hier gaat om een bedrijfje dat als hoofdartikel ongeglazuurde en deels geglazuurde dakpannen heeft geproduceerd. Hiernaast vervaardigde men eenvoudig roodbakkend gebruiksaardewerk, voorzien van een kleurloos loodglazuur, zoals grapen, voorraadpotten, schalen en kommetjes. Tevens maakte men fijnere produkten van een witbakkende klei, die van elders geïmporteerd moet zijn. Dit aardewerk werd voorzien van een door koperoxide groen gekleurd loodglazuur. Op een fragment van een schenkkan van wit aardewerk met groen glazuur staat het jaartal 1583 vermeld. Er bestaan vage aanwijzingen dat ook plavuizen tot het assortiment behoord hebben.

In de sterk verstoorde bovenste laag zijn resten van bebouwing uit de 17e-20e eeuw aangetroffen. Het verloop van de 17e-eeuwse muurresten komt overeen met hetgeen men op sommige stadsplattegronden uit die periode kan waarnemen. Het betreft twee noord-zuid verlopende rijen eenvoudige huisjes, die in de loop van de 17e eeuw op het achtererf van de grote huizen aan de Itliaanse Zeedijk zijn gebouwd. Ze zijn door oost-west verlopende dwarsmuurtjes onderverdeeld in een aantal vertrekken.

Aansluitend in noordelijke richting bevonden zich de ondiepe funderingen van een houten aanbouw van vele meters lengte. Slechts op één plaats was nog een gedeelte van een plavuizen vloertje bewaard gebleven. Voor het overige waren alleen de onderliggende schelpgruis- en zandlagen nog aanwezig. Derhalve was de aard van de bebouwing niet meer vast te stellen. Vondsten van gedateerd Hessisch aardewerk [Werra-aardewerk] doen vermoeden, dat het volbouwen van de achtererven vanaf de dijkzijde, dus in noordelijke richting heeft plaatsgevonden. Zoals hierboven reeds vermeld, kon het meest zuidelijke gedeelte van het terrein dat aan de dijk grenst, niet worden onderzocht. Van de bebouwing langs de dijk zijn derhalve geen archeologische gegevens bekend.

In de (niet onderzochte) zuidwesthoek van het terrein zijn na afsluiting van het onderzoek door amateurarcheologen diverse voorwerpen gevonden, die doen denken aan de aanwezigheid van een scheepswerfje. Men vond onder meer resten van teertonnen, en gereedschappen. Of deze indruk juist is en hoe oud de vondsten precies zijn te dateren, zal nog moeten blijken.


Deze tekst is geschreven door T.Y. van de Walle-van der Woude en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 1980.


In het volgende artikel is ook meer te lezen over dit project:
Schrickx, C., 2007: ‘Misbaksels van de pottenbakker’ in: C. Schrickx e.a., Hoogtepunten uit Hoornse bodem, 77-79.