De Appelhaven is volgens de bekende stadskroniek van Velius (eerste druk 1605) in 1420 uitgegraven en het is daarmee een van de oudste havens van de stad. Uit het oudste belastingregister van Hoorn uit circa 1430, het zogenaamde schotboek, blijkt dat in deze tijd al veel huizen langs de haven stonden.

In juli 2014 vond een opgraving plaats op het perceel Appelhaven 3 in Hoorn. De resultaten overtroffen ieders verwachtingen: de gestapelde woonniveau’s van eeuwenlange bewoning bleken nog vrijwel intact in de bodem aanwezig te zijn. Het oudste huis op het perceel was een eenvoudig houten huis met vloeren van klei. De datering van dit huis is nog onzeker; de nu beschikbare gegevens wijzen globaal op een bouw in de periode rond 1400. De resten van dit huis bevonden zich op ongeveer 1,5 meter onder maaiveld. In het midden van het huis moet een vrije haardplaats hebben gelegen, maar deze is helaas niet teruggevonden. Wel kwam aan de voorkant van het huis een inpandige bakstenen ‘deurmat’ tevoorschijn. Soortgelijke deurmatten zijn eerder in Hoorn gevonden. Het is aannemelijk dat het huis op een zeker moment, wellicht in de eerste helft van de 15de eeuw, is herbouwd. Een tweede kleivloer, ongeveer 15 cm boven de onderste kleivloer, hoort mogelijk bij dit huis.

In de tweede helft van de 15de eeuw is een nieuw houten huis gebouwd op het perceel. Van dit huis zijn resten gevonden van de houten fundering van de achtergevel en een stukje van de westelijke zijgevel. Op basis hiervan kan de lengte van het huis bij benadering worden bepaald, namelijk 14 meter. Zeer waarschijnlijk was het huis gedekt met dakpannen: tijdens de opgraving zijn enkele zogenaamde onder- en bovenpannen gevonden, het oudste type middeleeuwse dakpan in Nederland. Dergelijke pannen zijn vrijwel uitsluitend toegepast in de IJsselstreek en worden slechts zelden in de Hollandse steden aangetroffen. In Hoorn zijn dit soort dakpannen niet eerder gevonden. De toepassing van dakpannen in deze periode wijst op enige welstand van de bewoners van het huis.

Ongeveer in het midden van het huis lag een kamer met een verharde vloer en de haardplaats, de zogenaamde binnenhaard. De vloer was gemaakt van grote ongeglazuurde plavuizen en bakstenen. De haard was nog steeds een vrije stookplaats, waarbij de rook het gebouw verliet door een gat in het dak. Naast de haardplaats was een eikenhouten kuip ingegraven en hierin stond een aspot van grijsbakkend aardewerk. De pot werd gebruikt om as uit de haard in te vegen. De combinatie van een aspot in een kuip is in West-Friesland nog niet eerder gezien en de functie ervan is onduidelijk. De andere kamers van het huis hadden waarschijnlijk geen verharde vloer; hier liep men simpelweg op aangestampte aarde.

In de periode rond 1500 is het eerste bakstenen huis op het perceel gebouwd. Zowel de funderingen van de voor- en achtergevel als de beide zijgevels zijn aangetroffen. Het pand was behoorlijk groot, namelijk 17 meter lang en 5,5 meter breed. De bakstenen fundering van het huis was dermate solide uitgevoerd, dat bij latere nieuwbouw op het perceel de nieuwe gevels steeds op de oude funderingen zijn gezet. Langs de oostzijde van het pand loopt in de huidige situatie een steeg. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat deze steeg bij de bouw van het stenen woonhuis rond 1500 al bestond.

In ieder geval de voorste helft van het huis was voorzien van een vloer van ongeglazuurde plavuizen. In het midden van het huis werd opnieuw een vrije haardplaats gevonden, precies op dezelfde locatie als de haardplaats in de oudere 15de-eeuwse vloer. Bij de haard waren twee aspotten naast elkaar ingegraven. Waarschijnlijk is pas later in de 16de eeuw een haardplaats met een schoorsteen tegen de westelijke zijgevel gemaakt. De eigenlijke stookvloer van deze haard was niet meer aanwezig, maar rond de haardplaats waren de plavuizen van de kamervloer wel behoorlijk beroet.

Rond 1600 lijkt een nieuw huis te zijn opgetrokken, waarbij dus gebruik werd gemaakt van de oude funderingen. Het oude vloerniveau werd opgehoogd met een dikke laag schelpgruis en hierop legde men een nieuwe plavuizenvloer. De nieuwe vloer was gemaakt van ongeglazuurde plavuizen van de oude vloer en nieuwe geglazuurde plavuizen. De haardplaats met schoorsteen bevond zich op dezelfde plaats tegen de westgevel. Een nieuwe toevoeging was een rechthoekige kelder met plavuizenvloer aan de achterzijde van het huis.

Later in de 17de en/of 18de eeuw zijn enkele aanpassingen aan het huis gedaan, waarbij mogelijk eveneens sprake is van nieuwbouw. Het loopniveau in het pand is bijvoorbeeld opnieuw verhoogd met schelpgruis, waarna hier weer een nieuwe plavuizenvloer is aangebracht. De kelder werd aanvankelijk voor de helft opgevuld en voorzien van een nieuwe vloer. Later besloot men toch maar om de hele kelder dicht te gooien, waarschijnlijk als gevolg van wateroverlast. In dezelfde periode is verder een aanbouw met tweede haardplaats achter het huis gebouwd: de zomerkeuken. Deze zomerkeuken is later weer gesloopt, waarna een grote waterkelder achter de achtergevel van het huis is gemaakt.

Van de vondsten die tijdens het onderzoek zijn aangetroffen, zijn vier insignes uit de 14de of 15de eeuw het meest in het oog springend. Het gaat om een kruisboog, een fragment van een insigne uit Aken met de Tunica van Maria, een vliegende fallus en een wildeman in vreemd kostuum met opgetrokken benen.


Deze tekst is geschreven door Dieuwertje Duijn, Christiaan Schrickx en Sander Gerritsen en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2014. In het rapport zijn de laatste resultaten en conclusies te lezen.


Download hier het volledige rapport


In het volgende artikel is ook meer te lezen over dit project:
Duijn, D., S. Gerritsen en C. Schrickx, 2014: ‘Middeleeuwse huizen aan de Appelhaven’, Kwartaalblad Vereniging Oud Hoorn 2014/3, 122-124.