Op het perceel Dorpsstraat 77 in Abbekerk stond een kleine stolpboerderij. Deze is in 2016 gesloopt. Voorafgaand aan de sloop is een bouwhistorische opname uitgevoerd, waarbij is vastgesteld dat het een klassieke Westfriese stolpboerderij betrof met de darsdeuren aan de voorzijde en de stal aan de achterzijde. De gevels van de boerderij dateerden uit de 20ste eeuw en in de woonvertrekken was een moderne schoorsteen en een betonnen kelder aanwezig. Uit de balken van het vierkant (het houtskelet) van de boerderij zijn tijdens de sloop houtmonsters gezaagd. Dendrochronologisch onderzoek wijst uit dat de boerderij van oorsprong uit de 17de eeuw dateert.

Bij de opgraving zijn de ondergrondse resten van de stolp onderzocht, zoals de funderingen van de muren, vierkantpalen en schoorstenen. Waarschijnlijk is de stolp in de 19de eeuw ingrijpend verbouwd, waarbij de bakstenen poeren van de vierkantpalen op kuilen met zand zijn gefundeerd. Het zand diende als grondverbetering om verzakken te voorkomen.

Onder de funderingen van de gevels bleken deels nog oude funderingen aanwezig te zijn, die bij de 17de-eeuwse bouwfase horen. Verder is de oude schoorsteenfundatie met stookvloer teruggevonden en zijn wandtegels van de schouw opgegraven. In de stolp zijn twee kelders aangetroffen, die bij een verbouwing zijn dichtgestort en daardoor voorafgaand aan de sloop in de stolp niet meer zichtbaar waren. Op basis van al deze sporen kan de oorspronkelijke indeling van de stolp worden achterhaald.

De stolp was gebouwd op een oude woonterp. Sporen van het huis dat hier vóór de bouw van de stolp heeft gestaan, zijn echter niet teruggevonden. De terp is vermoedelijk bij die bouw afgevlakt en de funderingen van de stolp hebben oudere sporen verstoord. Wel konden de oude terplagen worden onderzocht. Bij het opwerpen van de terp is deels gebruik gemaakt van kleiplaggen en achter de terp liep een brede sloot. De scherven keramiek uit deze sloot wijzen erop dat deze terp al in de 12de of 13de eeuw bestond.

Een zeer uitzonderlijke vondst uit de bovenste terplagen is een Gouden Lam: een gouden munt die is genoemd naar het Lam Gods dat op de voorzijde van de munt staat afgebeeld. Het lam met kruisvaan verwijst naar Christus als offer voor de zonden van de mens. De in Abbekerk gevonden Gouden Lam dateert omstreeks 1419 en is een van de oudste gouden munten uit West-Friesland.

De Europese goudmijnen raakten in de 10de eeuw uitgeput, waarna in plaats van gouden munten vooral veel zilveren munten werden geslagen. Kort na 1300 ontdekte men nieuwe goudmijnen in Hongarije en kwam via handelssteden als Venetië goud uit Afrika beschikbaar. Daarna gingen diverse vorsten weer over tot het slaan van gouden munten. Een van deze is de Mouton d’or of Agnel d’or, een gouden munt die in 1355 in Frankrijk werd ingevoerd. In het Nederlands spreken we over een Gouden Lam. De gouden munten van de grote vorstenhuizen uit de 14de eeuw werden door diverse kleine graafschappen of hertogdommen geïmiteerd. De Franse Mouton d’or kende veel imitaties, waarvan de bekendste is gemaakt door Lodewijk van Maele, de graaf van Vlaanderen. Deze munt werd vervolgens op haar beurt weer nagemaakt door een aantal kleinere heren, zoals de hertog van Brabant en de hertog van Gelderland. Kortom: er waren nogal wat imitaties van deze populaire munt in omloop. Veel minder bekend is dat ook de graaf van Meurs een eigen Gouden Lam uitbracht. Het grondgebied van het kleine vorstendom Meurs maakt tegenwoordig onderdeel uit van Noordrijn-Westfalen in Duitsland. De hoofdstad was Moers, een plaats tussen Venlo en Duisburg. De Gouden Lam van dit graafschap is een vrij letterlijke navolging van de Gouden Lam van koning Karel VI van Frankrijk. Frankrijk werd onder zijn bewind verscheurd door een burgeroorlog en was bovendien in oorlog met Engeland. Het Franse leger werd in 1415 door de Engelsen bij de Slag bij Azincourt verpletterend verslagen. Ergens in deze tijd is een versie van de Gouden Lam geslagen met niet de naamletters van de koning, maar eenvoudig met de tekst FR RX. Dit staat voor Francorum Rex (koning van Frankrijk). Het is deze munt die Frederik III van Meurs liet namaken, waarschijnlijk in 1419 (determinatie Paul Beliën, Nationale Numismatische Collectie van De Nederlandsche Bank). Het origineel had een gewicht van 4,5 gram, maar de imitatie kreeg een gewicht van slechts 2,5 gram. Tot nu toe zijn internationaal slechts enkele van deze munten bekend, wat aangeeft hoe bijzonder de vondst in Abbekerk is.

Grote vraag is hoe de munt in de bodem van deze terp is beland. Een mogelijkheid is dat de munt in de 15de eeuw als bouwoffer in de terp is begraven om voorspoed voor de bewoners af te smeken.


Deze tekst is geschreven door Christiaan Schrickx en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2016. Op dit moment wordt dit project uitgewerkt. In het rapport zullen de laatste resultaten en conclusies te lezen zijn. Als het project is uitgewerkt, zal het rapport op deze pagina te downloaden zijn.