Inleiding

In december 2018 is door Archeologie West-Friesland archeologisch onderzoek uitgevoerd op de voorburcht van het 15de-eeuwse Schager Slot in het centrum van Schagen. Tijdens het archeologisch onderzoek zijn de resten van een 15de– of 16de-eeuwse stal, een 17de-eeuws koetshuis en een deel van het grachtensysteem gevonden. De opgraving vond plaats voorafgaand aan de nieuwbouw van Hotel Marktstad, de voormalige locatie van Hotel Igesz. Het plangebied ligt in de historische kern van Schagen en bevindt zich direct ten noorden van het Schager Slot en ten zuiden van de Grote Kerk op de Markt. De voorburcht diende van oudsher als eerste verdediging in tijden van oorlog. Zowel het slot (de hoofdburcht) als de voorburcht waren door brede grachten omringd en het Schager Slot was alleen te betreden via een poort met ophaalbrug.

 

“tvoorhuijs” en de stalling

De oudste bekende afbeelding van het Schager Slot dateert uit 1547 en is het resultaat van onenigheid tussen de weduwe van de heer van Schagen en de familie van Nijenrode. De afbeelding geeft een fraaie weergave van Schagen in de 16de eeuw. De plattegrond heeft een oriëntatie richting het zuiden. Het noorden is onder. Links op de afbeelding ligt de huidige Gedempte Gracht en rechts de Loet. In het midden van de kaart prijkt het Schager Slot met haar omliggende gronden.

Ten zuiden van het slot lag de ‘grote boomgaard’ en ten westen de ‘kleine boomgaard’. Aan de noordzijde was de hoofdburcht verbonden met de voorburcht, die op haar beurt verbonden was met de Markt. Op de plattegrond is te zien dat op de voorburcht een gebouw in OW-richting staat weergeven. Het pand is aan de oost- en westzijde voorzien van een trapgevel en staat in de noordwesthoek van de voorburcht aan de rand van de ringgracht. Een tweede kaart, voortkomend uit hetzelfde geschil als de eerste kaart, laat zien dat het gebouw op de voorburcht uit twee delen bestond. De functie van de gebouwen was vooralsnog onbekend, maar het vermoeden bestond dat het om een koetshuis met een stalgedeelte ging.

 

De conserveringsomstandigheden van de archeologische sporen en vondsten uit deze periode waren goed. Aan de noordzijde van het plangebied kwamen de bakstenen funderingen van een 16de-eeuws gebouw aan het licht. Het gebouw lag zoals verwacht in OW-richting en is waargenomen over een lengte van minimaal 15,7 m. Een deel van de funderingen lag zodoende buiten de werkput. Het gebouw werd door een tussenmuur in twee verblijven gescheiden. Van het westelijke compartiment is behalve muurwerk vrijwel niets aangetroffen. In het oostelijk verblijf werd haaks op de zuidgevel een mestgoot aangesneden, onderdeel van een paardenstal. Deze bestond uit twee gemetselde steense plinten, waarvan de bovenste laag bestond uit een rollaag (een rij op hun kant liggende bakstenen). Hierop stonden de achterste benen van de paarden. Tussen de twee plinten lag een naaldhouten plank, waardoor de mestgoot eenvoudig kon worden schoongehouden. Mogelijk werd het westelijke vertrek gebruikt om de rijtuigen in te bergen.

Ten zuiden van het gebouw werden twee bijzondere metalen voorwerpen geborgen. Het betrof een zilveren munt geslagen in Bolsward en een loden pelgrimsinsigne. Op de zilveren munt staat een dubbelkoppige adelaar weergeven, waardoor deze munten ook wel ‘vliegers’ worden genoemd. Op de voorzijde van de munt staat in Latijn de tekst ‘MONETA NOVA BOLSWERDIEN’, wat ‘Nieuwe Munt uit Bolsward’ betekent. Om verwarring te voorkomen staat ook nog de letter B in het hart van het kruis op de keerzijde. Vliegers die de waarde van een stuiver hadden, zijn in Bolsward geslagen in 1455 en tussen 1472-1478. Het exemplaar uit Schagen komt uit het jaar 1472.

Een pelgrimsinsigne verkreeg men als aandenken uit een bedevaartsplaats. Bijzonder in dit geval is in dit geval dat het insigne afkomstig is van de kapel van Maria op de Keins, die in de 16de eeuw bij de Westfriese Omringdijk even ten noorden van Schagen stond. Het voorwerp vormt een tastbaar overblijfsel van deze bedevaartsplaats. Wat de vondst extra speciaal maakt, is dat het in 2019 precies 500 jaar geleden was dat de kapel is gesticht.

Het pelgrimsinsigne is rond van vorm en heeft een oogje waarmee het als hanger aan een ketting om de hals kan worden gedragen of aan de kleding bevestigd. Het insigne is van een tin/lood legering en gegoten in een mal. Dit maakte serieproductie mogelijk. Zowel op de voorzijde als de achterzijde staat een afbeelding met tekst. Op de voorzijde zien we een beeld van Maria met Kind met daarnaast een knielend biddend figuur. De Latijnse tekst luidt: O Mater Dei memento mei (O Moeder Gods, gedenk mij). Naast Maria staat verder ‘op die Keinse’, de naam van de plek waar de kapel stond. Op de andere kant van het insigne staat een afbeelding van Sint Christophorus, de patroonheilige van de kerk van Schagen, met de tekst S Cristoffore ora pro me (Sint Christophorus bid voor mij). Het voorwerp is gemaakt tussen 1519 en 1573.

 

“een Plein met Klinkers (…) en een schoon koetshuis staande over de Stallinge”

In de 17de eeuw vond een grote machtsverschuiving plaats. Na 230 jaar kwam een tijdelijk einde aan de Van Beieren – Van Schagen dynastie die de stad bestierde en kwam de heerlijkheid Schagen in handen van George van Cats. Heer Van Cats had andere plannen met de burcht dan zijn voorgangers en wilde meer luxe en openheid uitstralen, waardoor de oorspronkelijke militaire functie van de burcht grotendeels kwam te vervallen.

Het 16de-eeuwse gebouw op de voorburcht werd gesloopt en delen van het grachtensysteem gedempt. Haaks op de oude funderingen verscheen tussen 1647 en 1658 een nieuw gebouw, waarvan met zekerheid bekend is dat het om een koetshuis gaat. De 17de-eeuwse chroniqueur Dirck Burger van Schoorel schrijft in zijn Chronyk van de gantsche oude Heerlykheid van het Dorp Schagen over “een Plein met Klinkers (…) en een schoon koetshuis staande over Stallinge” dat hij omstreeks het jaar 1658 heeft gezien.

Tijdens de opgraving is een deel van de gracht ten westen van de voorburcht onderzocht. De oudste grachtvulling bevatte voornamelijk fragmenten van bloempotten en leisteen. De laag was afgedekt met een pakket van compact organisch materiaal, bestaande uit twijgen van es, appel of peer, wilg, duindoorn en Gelderse roos. Deze vondsten en vullingslagen zijn goed te verklaren door de omliggende percelen. Ten westen van de gracht lag namelijk een siertuin en in het zuiden een kleine boomgaard, waar klaarblijkelijk appels en peren werden geteeld.

Voorafgaand aan de bouw van het 17de-eeuwse koetshuis werd de sloot permanent gedempt. De demping bestond voornamelijk uit klei met veel grof baksteenpuin, mortel, en daklei. Tijdens het verzamelen van de vondsten werd geheel bij toeval een fragment daklei geborgen, waarin de naam G Gerrijtz (G. Gerritszoon) stond gegraveerd. Mogelijk heeft de heer Gerrijtz tijdens het dekken van de daken rondom de voorburcht zijn voorletter en achternaam in de daklei gekerfd.

Van het 17de-eeuwse koetshuis werd alleen de fundering van de oostgevel aangetroffen. De fundering was gemaakt van een uniforme partij gele bakstenen van 17,5x8x3,5 cm. Ongeveer halverwege de fundering van de oostgevel bevonden zich op ca. 2 m afstand van elkaar twee poeren van 0,9 m breed. Waarschijnlijk heeft hier een toegangspoort tot het koetshuis van aanzienlijk formaat gestaan. Voor de ingang lag straatwerk van schoongemaakte en hergebruikte bakstenen, gelegd in een zogenaamd keper- of visgraatmotief. Naast een fraai aanzicht werd door de diagonale ligging van het kepermotief voorkomen dat rijen of spleten tussen de bakstenen ontstonden, waarop karren en koetsen konden vastlopen.

 

Van koetshuis naar koffiehuis

In de vroege 19de eeuw werden het koetshuis en de boomgaard ten zuiden ervan verkocht aan de Texelse horeca-exploitant Cornelis de Leeuw. Een van oorsprong 17de– of 18de-eeuwse waterput, gedempt in de vroege 19de eeuw, getuigt uit de periode van De Leeuw en de grote dorst die heerste onder de Westfriese bevolking in Schagen. De waterput. was namelijk gevuld met maar liefst twintig ´paardenhoef´-vormige flessen, vier cilindrische flessen en ander koffiehuis-gerelateerd materiaal, zoals een schotel van Chinees porselein. In de paardenhoefflessen werden verschillende soorten drank, waaronder wijn, bier of sterke drank opgeslagen en uitgeserveerd. Naast paardenhoefflessen zijn ook cilindrische flessen beide van rond 1800 gevonden.

Op het kadastrale minuutplan uit 1818 na zijn afbeeldingen van het plangebied uit de 19de en 20ste eeuw vrij schaars. Bij toeval werd tijdens een fotoreportage van de destijds nieuw te bouwen Julianaschool in de jaren ‘30 een deel van het voormalige koetshuis gefotografeerd. De foto is afkomstig uit de Niestadt-collectie en geeft de treurige situatie van het Schager Slot in 1930 weer. Het grootste gedeelte van de hoofdburcht is dan al ruim honderd jaar gesloopt. Op de achtergrond is het bouwterrein van de Julianaschool zichtbaar, maar het meest bijzondere prijkt in de hoek rechts onderin: de gerenoveerde voorgevel van het van oorsprong 17de-eeuwse koetshuis.


Deze tekst is geschreven door Jasper Leek & Christiaan Schrickx en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 2018. In het rapport zijn de laatste resultaten en conclusies te lezen.

Download rapport Download bijlagen