In de maanden mei en juni vond in Hoorn een archeologisch onderzoek plaats op het terrein van de voormalige lichtmastfabriek van de N.V. Nederland Haarlem aan de zuidzijde van de Karperkuil, een uit 1576 daterende haven. De opgraving werd uitgevoerd door de archeologische dienst van de gemeente Hoorn met medewerking van vrijwilligers van de AWN en de vereniging Oud Enkhuizen. Bij de aanleg van de Karperkuil werd ter afsluiting van de zuidzijde de Luyendijk opgeworpen (nu: Binnenluiendijk). Voor het overige maakte de nieuwe haven in wezen gebruik van de bestaande situatie. Zo werd een reeds aan de oostzijde aanwezig dijkje verbreed en van een wal voorzien. In 1608 werden ten zuiden en ten oosten van de Karperkuil twee nieuwe havens aangelegd, de Kielhaven en het Rottegat.

Aanvankelijk gebruikte men het terrein tussen Binnenluiendijk en Karperkuil voor opslag. In 1621 werd dit gedeelte verbreed en in het volgende jaar begon men hier met het bouwen van een dubbele rij huizen, enerzijds georiënteerd on de Binnenluiendijk en anderzijds op de kade langs de Karperkuil. De opslag terreinen verhuisden bij deze gelegenheid naar de zuidzijde van de dijk, die hier inmiddels ook verbreed was. De kaart van Johan Blaeu van 1652 is een van de eerste waarop een doorvaart (vroeger bekend als het Wayopsgat) te zien is tussen Karperkuil en Kielhaven. Op een kaart van 1615 ontbreekt deze nog. Een exacte aanlegdatum is uit de bronnen niet bekend, net als de precieze ligging. In 1775 werd het Wayopsgat weer met modder en stadsvuil gedempt.

De West-Indische Compagnie bezat aan de Binnenluiendijk verscheidene panden. Tevens waren er een plateelbakkerij en werkplaatsen van de Vaderlandsche Maatschappij van Reederij en Koophandel ter Liefde van ’t Algemeen (een 18e-eeuws werkverschaffingsproject) gevestigd.

Vanwege de beperkte beschikbare tijd en het feit dat het terrein op een aantal plaatsen zwaar vervuild was, werd slechts een gedeelte van het terrein opgegraven. In totaal werden vijf putten aangelegd.

Ten westen van de doorvaart konden vier huisplattegronden voor een belangrijk deel worden blootgelegd, alsmede de noordwesthoek van een vijfde huis. Alle huizen waren gefundeerd op grenen palen, die waren afgedekt door in de lengterichting aangebrachte planken. Van zowel deze planken als de daarop gemetselde muren waren slechts hier en daar resten bewaard gebleven.

Huis 1 stond op de hoek van de Binnenluiendijk en de doorvaart. Het was ca. 8 meter breed en 14 meter lang en werd oorspronkelijk door een muur met dragende functie in de lengterichting in twee vrijwel even brede delen gesplitst. De indruk bestaat dan aan de achterzijde nog een klein vertrek was afgescheiden. Aan de oostzijde bevond zich buiten de zijgevel een ondiep keldertje.

Van het direct aangrenzende huis 2 konden de funderingen van een deel van de voorgevel, de oostelijke zijwand en een deel van de achtergevel worden blootgelegd. De lengte bedroeg 15 meter. De funderingspalen waren min of meer in een zigzag-patroon ingeheid. Onder de voorgevel leken ze te ontbreken, doch of deze goeddeels in het zuid profiel van de werkput gelegen muur daadwerkelijk niet onderheid was of in de loop der tijd van zijn fundering was geschoven, kon niet worden waargenomen. Van een indeling in vertrekken werd niets teruggevonden zodat kan worden geconcludeerd dat de binnenwanden, indien aanwezig, in ieder geval geen dragende functie hebben gehad. Aan de achterzijde van het huis bevond zich een smalle aanbouw van ca. 2,5 meter breed en 5,5 meter lang. Direct ten westen hiervan was een grote ronde beerput gemetseld. De inhoud ervan, hoofdzakelijk daterend uit de 17e en vroege 18e eeuw, gaf over beroep of nering van de bewoners geen enkele aanwijzing. De vondsten maakten overigens geen rijke indruk.

Onder beide huizen werd een afvalpakket aangetroffen waarin veel restproducten van leerlooiers- en schoenmakerswerkplaatsen voorkwamen, zoals haarresten, hoornpitten, boomschors en leersnippers. Vermoedelijk is dit afval, dat ook in kleinere hoeveelheden onder andere huizen werd gevonden, van elders in de stad afkomstig en aangebracht als grondophoging voordat de eerste huizen hier werden gebouwd.

Circa 10,5 meter ten noorden van huis 2 bevond zich huis 3, dat met zijn voorgevel aan de toenmalige (meer zuidelijk gelegen) kade langs de Karperkuil was gesitueerd. Behalve de gehele oostwandfundering werden de funderingen van voor- en achtergevel voor een belangrijk deel opgegraven. De heipalen stonden min of meer in een zigzag-patroon. Het huis was ca. 10 meter lang. De breedte kon niet worden vastgesteld. Een enkele rij zware heipalen op ca. 2 meter uit de oostgevel duidt op een inwendige draagmuur. Een verdere indeling van de ruimte binnen het huis werd niet (meer) gevonden.

Van het vlak tegen huis 3 gebouwde huis 4 op de hoek van de doorvaart en de Karperkuil konden slechts de westelijke zijgevelfundering en de aanzet van de voorgevel worden opgegraven. De ruimte tussen de huizen 1 en 4 werd niet ingenomen door achtererven, maar door een huis dat zijn ingang aan de westelijke kade langs het Wayopsgat moet hebben gehad (huis 5). De drie huizen bleken aan de oost- en westzijde een gezamenlijke fundering te hebben van afwisselend enkele in paren staande palen. Huis 5 had een diepte die in noordelijke richting van ca. 8 tot 7 meter afnam. De ruimte werd in twee gelijke delen verdeeld dor drie onderheide gemetselde poeren, waarop vermoedelijk oorspronkelijk zware houten standvinken waren geplaatst ter ondersteuning van de dakconstructie. Ze stonden op gelijke afstand van elkaar. Zet men in gedachten het ritme van de poeren voort, dan komt met precies uit ter hoogte van de achtergevel van huis 3. Het is dan ook zeer aanlokkelijk om hier de achtergevel van huis 4 evenals de noordelijke zijwand van huis 5 te veronderstellen. Dit zou de breedte van dit laatste huis op ca. 17 meter brengen. De indruk bestaat dat het in ieder geval aan de zuidzijde geen eigen zijwand gehad heeft, maar gebruik heeft gemaakt van de achtergevel van het belendende pand aan de Binnenluiendijk. Rijen kleine paaltjes duiden op een indeling in meerdere vertrekken. In de zuidwesthek bevond zich een ondiepe kelder, waarvan de plavuizenvloer rustte op een ondervloer van planken. De gebruikte materialen dateren de kelder pas in de late 17e eeuw en derhalve niet in de beginperiode van het huis. Ook een binnen in het huis aangetroffen waterkeldertje van gele baksteen dateert uit een latere periode. Waar de bewoners van deze huizen hun afval lieten, is behalve in het geval van huis 2 niet duidelijk.

Ten oosten van de hierboven besproken huizen bevond zich de doorvaar tussen de Karperkuil en de zuidelijk daarvan gelegen Kielhaven. Deze werd van de huizen gescheiden door een 6 meter brede, met veldkeien geplaveide kade. Aan de andere zijde bevond zich een kade van dezelfde breedte. Aan de kant van de Binnenluiendijk was de doorvaart ongeveer 8 meter breed. In de richting van de Karperkuil nam deze breedte geleidelijk toe tot ruim 13 meter, aangezien de westelijke kademuur na verloop van enige meters een flauwe knik bleek te maken. Opmerkelijk is, dat de gevelwand van de huizen te n westen van het Wayopsgat deze knik precies volgt, hetgeen de ongelijke diepte van huis 5 verklaart. Dit betekent. Dat de doorvaart in ieder geval voor of tegelijk met de bouw van de huizen moet zijn aangelegd. De ruim één meter hoge uit rode baksteen opgetrokken kademuren waren aan de bovenzijde afgewerkt met een rollaag met daarop hardstenen platen. Aan de waterkant verbreedden ze zich naar onder toe aanzienlijk. Hier was onder de muur bovendien een ongeveer even hoge fundering van zware horizontale balken aangebracht. Onder de balken bevond zich een kleipakket dat op zijn beurt rustte op een dikke laag zeegras. Ter bescherming waren aan de waterzijde zware palen langs de kademuur ingeheid.

De doorvaart leverde een zeer aanzienlijke hoeveelheid vondstmateriaal op, waarin een verdeling in twee perioden is waar te nemen. Het onderste pakket moet zijn ontstaan gedurende de tijd dat de doorvaart in gebruik was, of althans nog open. Het vrij duidelijk hiervan gescheiden bovenste vondstenpakket heeft naar alle waarschijnlijkheid te maken met de demping van het Wayopsgat met stadsvuil in 1775.

Na het dempen van de doorvaart, bleek men van de muren in de 19e eeuw gebruik te hebben gemaakt bij de aanleg van een nieuw gebouw. Vlak achter de Binnenluiendijk bevond zich namelijk een zware fundering, waarvan de uiteinden rustten op de vroegere kademuren. Hierin waren secundair fragmenten verwerkt van de hardstenen afdekplaten. Mogelijk maakte het deel uit van een scheepswerf die hier toen gevestigd was.

Het eerste huis aan de Binnenluiendijk ten oosten van de doorvaart (huis 6) was op dezelfde wijze gefundeerd als de andere huizen. Er konden slechts een gedeelte van de fundering van de voor- en achtergevel, alsmede van de westelijke zijgevel worden blootgelegd. Het huis was oorspronkelijk door een tussenmuur overlangs in tweeën gedeeld. De muren van het huis waren opgetrokken uit gele ijsselsteen, zodat een datering hiervan in de latere 17e of 18e eeuw moet worden aangenomen. Het vondstmateriaal is hiermee in overeenstemming. De paalfundering behoort echter tot de eerste bouwfase in 1622. De lengte van huis 6 kon worden vastgesteld op ca. 15 meter. De afstand tussen zijwand en tussenwand bedroeg 4 meter. Opmerkelijk was de wijze waarop de afvallozing was opgelost. Op ongeveer 2 meter van de achtergevel bleek een riool aanwezig te zijn, dat uitkwam op het Wayopsgat. Het wekte de indruk als gezamenlijke voorziening voor meerdere huizen te zijn aangelegd. Dit vermoeden werd bevestigd tijdens de sloopwerkzaamheden na afloop van de opgraving. Het riool had een vloer van in de lengterichting aangebrachte planken die rustten op een rij aaneengesloten dwarsplankjes. Hierop was een tongewelfje van rode baksteen gemetseld. Boven het riool waren nog muurresten van een latrine aanwezig, die door een ondiep gefundeerd muurtje met de achtergevel van het huis was verbonden. Ter hoogte van de noordwesthoek van het huis bevond zich boven het riool bovendien een opgemetselde afvoer.

Evenwijdig aan dit riool bleek vanaf het huis op een hoger niveau nog een tweede riool naar het Wayopsgat te zijn aangelegd. Het was iets smaller en minder zorgvuldig uitgevoerd dan het vorige. Hiervoor had met later een opening moeten hakken in de kademuur van de doorvaart, terwijl met het eerste riool al rekening gehouden was gehouden bij de aanleg hiervan. Dit betekent dat zowel het eerste riool als de doorvaart gelijktijdig zijn gebouwd met de huizen in 1622.

Het tweede riooltje moet zijn aangelegd toen in de latere 17e of 18e eeuw op de oude funderingen een nieuw huis werd gebouwd. Kennelijk was het Wayopsgat inmiddels zo dichtgeslibd dat het oude riool niet goed meer functioneerde. Het hoogteverschil tussen beide riolen bedroeg ongeveer 40 centimeter.

Omdat het tegenwoordige verloop van de Binnenluiendijk niet meer een rechte lijn vormt maar in de richting van de Karperkuil afbuigt, kon in de meer oostelijke richting gelegen werkput 4 van de bebouwing aan deze dijk nog slechts een aan de achterzijde gelegen (water?)keldertje worden blootgelegd. Achter op het erf bevond zich een gemetselde ronde waterput. Een strook met veel veldkeien hierachter duidt mogelijk op een pad tussen de bebouwing.

Verder in de richting van de Karperkuil gaande werden loodrecht op elkaar staande rijen kleine paaltjes blootgelegd (wellicht een licht geconstrueerde schuur of loods?), alsmede een grote rode beerput zonder wandversterking. De put bevatte vrijwel geen vondsten.

Enkele meters ten noorden hiervan bevond zich een ronde uit planken bestaande plaat. Hoewel aanvankelijk het doel hiervan onduidelijk was, bleek gedurende sloopwerkzaamheden na afloop van de opgraving pas, dat hieronder op veel grotere diepte een rechthoekig waterkeldertje van gele ijsselsteentjes aanwezig was. Het geheel lag op het achtererf van een klein stenen gebouwtje, dat op de gebruikelijke wijze gefundeerd was. Het was niet breder dan ca. 3 meter, terwijl de lengte slechts 5 meter bedroeg. De achtergevel lag ongeveer in dezelfde lijn als die van de eerder langs de Karperkuil blootgelegde huisresten. Binnen was een vertrek afgescheiden, getuige de hier aangetroffen horizontale planken. Aan de voorzijde bevond zich een smalle aanbouw van ongeveer 2,5 bij 5 meter.

In de werkput die vlak langs de Binnenluiendijk was gegraven, werden twee diepe dwars-sleuven gegraven ter bestudering van het dijkprofiel. De natuurlijke ondergrond bleek te bestaan ui een 10 tot 25 cm dik veenpakket dat rustte op zandige klei. In het hierop aangebrachte dijklichaam konden globaal twee lagen worden onderscheiden: een pakket donkergrijze, vrij homogene klei en een pakket lichter grijze klei waarin zich lenzen van zeegras aftekenden. Aan de (oorspronkelijke) zeezijde bevond zich tegen dit kleilichaam een dik pakket zeegras (wierriem?), rustend op een dikke rietmat.

Na afloop van de opgraving werden door leden van de AWN nog regelmatig waarnemingen gedaan gedurende de sloopwerkzaamheden. Hierbij verzamelde men nog diverse gegevens. Met name interessant was een grote stortplek in de zuidoosthoek van het terrein, waarin zich zeer veel misbaksels van wandtegels en zogenaamde proenen bleken te vinden. Ongetwijfeld heeft deze plek te maken met de plateelbakkerij die in de 18e eeuw aan de Binnenluiendijk stond. Vrijwel zeker bevinden zich de overblijfselen hiervan buiten de huidige terreinafscheiding.

De opgraving aan de Karperkuil heeft een beeld kunnen geven van de huizen die hier in de 17e en 18e eeuw gestaan hebben. Ook de exacte plaats van het Wayopsgat kon worden vastgesteld. Bovendien werd bewezen dat deze doorvaart haar de Kielhaven tegelijk met de bouw van de eerste huizen is aangelegd. Interessant was de ontdekking van een systeem van riooltjes, dat zich achter de huizen ten oosten van de doorvaart bleek te bevinden. Van de aan de Binnenluiendijk gevestigde bedrijven, zoals bekend uit de historische bronnen, kon –afgezien van een stortplek met veel misbaksels – niets worden teruggevonden. De reden hiervan is, dat het huidige verloop van de Binnenluiendijk meer naar de Karperkuil afbuigt, zodat de betreffende gebouwen, die voornamelijk aan het oosteinde van deze dijk waren gelegen, tegenwoordig onder het plantsoen binnen de afrastering liggen.


Deze tekst is geschreven door T.Y. van de Walle-van der Woude en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 1995.