Voorafgaand aan de aanleg van een ondergrondse parkeergarage op ‘het Jeudje’ is door de archeologische dienst van de gemeente Hoorn een opgraving in twee campagnes, van 26 mei t/m 6 juli en van 9 t/m 27 augustus 1999, uitgevoerd. Gedurende het afgraven van het terrein ten behoeve van de parkeergarage zijn op de niet onderzochte gedeelten bovendien regelmatig waarnemingen verricht door leden van de AWNwerkgroep Hoorn.

Het schiereiland met de naam ‘Jeudje’, begrensd door Pakhuisstraat, Vollerswaal en Turfhaven, kwam bij de stadsuitbreiding van 1508 binnen de omwalling te liggen. Vanaf het eind van de 16e eeuw werd het geleidelijk bebouwd. De opgraving was enerzijds gericht op het onderzoek van de overblijfselen van de 16e-eeuwse verdedigingswap die het terrein volgens oude kaarten aan de zijde van de Vollerswaal had begrensd. Anderzijds was men geïnteresseerd in de aard van de vroegere bewoning in dit deel van de stad. Een belangrijke vraag daarbij was of aan de hand van de vondsten bewezen kon worden of de naam “Jeudje”, die al in de eerste helft van de 17e eeuw in gebruik was, te maken heeft met de toenmalige aanwezigheid van een joodse gemeenschap, zoals doorgaans verondersteld wordt, doch waarvoor geen duidelijke bewijzen in de bronnen te vinden zijn. Tenslotte hoopten de onderzoekers uit de opbouw van de bodemprofielen iets meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis van het ‘Jeudje’. Was het een kunstmatig aangelegd schiereiland of bestond het terrein reeds van nature?

Uit de vroeg-17e-eeuwse stadskroniek van Velius weten we dat de verdedigingswal in 1508 in grote haast werd aangelegd, omdat men zich bedreigd voelde door de troepen van de hertog van Gelre. Men wierp derhalve in korte tijd een eenvoudige aarden wal op zonder enige onderheiing of andere vorm van fundering. De wal werd direct van een aantal stenen torens voorzien en na acht jaar tevens van een muur. Van oude stadsplattegronden was bekend dat op het ‘Jeudje’ twee torens hadden gelegen: de Geertentoren en de Agnietentoren, genoemd naar twee kloosters die zich in het verlengde ervan bevonden. Toen dit gedeelte van de omwalling na de stadsuitbreiding van 1576 geen nut meer had, werd het na enkele jaren tot op het maaiveld geslecht, zodat hier een brede kade langs de Vollerswaal ontstond.

De opgraving toonde aan dat de wal inderdaad geconstrueerd was zoals Velius vermeldde. Deze bestond louter uit een lichaam van opgebrachte klei. Het onderste gedeelte van het waltalud tekende zich nog duidelijk in de gemaakte bodemprofielen af. Van beide genoemde torens konden aanzienlijke resten worden blootgelegd.

Van de Geertentoren (werkput 1 en 2) bleek de fundering nog vrijwel geheel intact te zijn. De ruim 1 m dikke bakstenen muren reikten tot maar liefst 4,5 m onder het huidige maaiveld en waren slechts gefundeerd op een laagje schelpgruis. De hoefijzervormige toren had een lengte van ca. 7,85 m, terwijl de breedte van de rechte voorzijde circa 7 m bedroeg. Vermoedelijk was de Geertentoren van een kelderruimte voorzien. Hierop duidde een ondiepe moet aan de binnenzijde van het muurwerk, evenals een dunne laag met mortel- en puinresten, die zich op dezelfde hoogte vaag in de vulling van de torenfundering aftekende. Dit vermoeden wordt nog versterkt door de aanwezigheid van een kelder in de Mariatoren, de enige toren van de omwalling van 1508, die heden ten dage nog bestaat. Evenals men bij deze toren nog kan zien, stak een groot gedeelte van de Geertentoren buiten de wal in het water van de Vollerswaal uit. Getuige de rolkeien, die naast de fundering zijn aangetroffen, heeft deze vermoedelijk, conform de Mariatoren, aan weerszijden afwateringsgootjes gehad, die hiermee geplaveid waren. Uit de vondsten blijkt, dat het dak was voorzien van daktegels. Afmetingen en vorm van beide torens komen goed met elkaar overeen.

Ter weerszijden van de Geertentoren werden de resten van de eerste houten beschoeiing langs de Vollerswaal nog aangetroffen. Aan één zijde bevond zich hierop een steiger van dikke, secundair gebruikte planken. Waarschijnlijk bij de afbraak van de toren omstreeks 1600 en in de loop van de 18e eeuw zijn iets meer naar buiten nieuwe beschoeiingen aangelegd. Nadere bestudering van het tussen de beschoeiingen verzamelde vondstmateriaal zal deze veronderstellingen verder moeten preciseren. Dendrochronologisch onderzoek van de beschoeiingspalen heeft helaas geen bruikbare resultaten opgeleverd. De vierde en laatste beschoeiing stamt uit recente tijd. Hoe de palen- en plankenconstructies, die meer in de richting van de Pakhuisstraat zijn gevonden, precies moeten worden geduid en gedateerd, is nog niet geheel duidelijk. Latere bebouwing heeft hier het beeld aanzienlijk verstoord. Waarschijnlijk hebben ze te maken met de aanleg van de Pakhuisstraat omstreeks 1600 en de daarmee gepaard gaande demping van dit gedeelte van de Vollerswaal.

De resten van de Agnietentoren (werkput 3) bevonden zich op circa 90 m afstand van de Geertentoren. De toren bleek tot op de onderste halve m van zijn fundering te zijn afgebroken. Ook van het wallichaam was hier niets meer te bespeuren. De ronde afsluiting was zelfs geheel verdwenen ten gevolge van een damwand die men eerder deze eeuw rond het schiereiland had aangelegd. De afmetingen van het nog aanwezige torengedeelte waren, zoals te verwachten, dezelfde als die van de Geertentoren.

Voor wat betreft de bewoningsresten kon ongeveer 30% van het terrein onderzocht worden. Ze bleken veelal aanzienlijk verstoord of zelfs geheel verdwenen ten gevolge van latere bebouwing. Van een groot huis (werkput 4 en 5), vermoedelijk gebouwd omstreeks 1600, was van de voorgevel de basis van het muurwerk nog intact. Van de achter- en zijgevels waren alleen de zware funderingspalen nog over. Hierop hadden oorspronkelijk planken in de lengterichting gelegen als dragers van de muren. Om de paar m werden ze extra ondersteund door korte dwarsbalken. Van de planken waren nog slechts summiere resten aanwezig. Het huis was circa 11 m lang en had een breedte van 7,5 m. Vlak achter het huis bevonden zich in symmetrische ligging twee kleine waterputten. Hieruit kan worden afgeleid dat het oorspronkelijk in de lengte in tweeën moet zijn verdeeld door een licht muurtje of houten wand zonder dragende functie. In de 18e eeuw heeft men tussen de twee waterputjes een grote waterkelder aangelegd, vermoedelijk het gevolg van het samenvoegen van de twee woningen. Links achter het huis was nog een grote waterput aanwezig, waarvan de stenen opbouw ontbrak en alleen twee in elkaar geschoven tonnen nog aanwezig waren. Of deze gelijktijdig met de twee andere putten in gebruik is geweest, is nog niet duidelijk. Achter op het erf, dat doorliep tot aan de Turfhaven, werden rijen lichte funderingspalen van een opslagruimte of schuur blootgelegd. Het gebouwtje was door een tussenwand in twee gedeelten gesplitst. Ook hieruit blijkt dat het huis oorspronkelijk dubbel bewoond was. In het linker gedeelte bevonden zich aan de achterzijde nog resten van een privaat, dat loosde op de Turfhaven. Aangezien het eigenlijke woonniveau geheel was verdwenen, konden geen vondsten worden verzameld die aan de gebruikers van het huis waren toe te schrijven. Ook in de waterputten werd slechts bouwpuin gevonden.

Van een tweede huis (werkput 7), voorlopig in het begin van de 17e eeuw gedateerd, bleek alleen een gedeelte van de achtergevel en van één van de zijgevels te zijn gespaard door de 19e– en 20e eeuwse bouwactiviteiten. Ervan uitgaande dat de voorgevel evenals die van het bovengenoemde huis aan de kade langs de Vollerswaal was gelegen, moet het circa 16 m lang geweest zijn. De breedte was niet meer te achterhalen. De muur van de achtergevel was gefundeerd op een houten roosterconstructie, bestaande uit twee in de lengterichting gelegde balken, waartussen zich op enige afstand van elkaar dwarsbalken bevonden. De tussenliggende ruimten waren opgevuld met korte ingeheide paaltjes. Het geheel was afgedekt door in de lengterichting gelegde planken. De fundering van de zijgevel, waarvan nog ongeveer 2,5 m intact was, bestond uit een 0,75 m breed gemetseld riooltje met een houten vloer. Het bovenste gedeelte was niet meer aanwezig. De ingang ervan had zich, getuige de hier gemetselde helling, in de nog aanwezige achterhoek van het huis bevonden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft het riooltje geloosd op de Vollerswaal.

De overige resten van (paal)funderingen die in de verschillende opgravingsputten konden worden blootgelegd zijn uitermate fragmentarisch en in de meeste gevallen moeilijk dateerbaar. Of ze alle een woonfunctie gehad hebben, moet worden betwijfeld. De indruk bestaat dat de bebouwing aanvankelijk gericht was op de kade langs de Vollerswaal en dat pas in de 19e eeuw ook een gedeelte langs de Turfhaven bebouwd werd. De opgravingsresultaten zijn op dit punt in tegenspraak met de oude stadsplattegronden, waarop reeds in de 17e eeuw aan deze zijde een aaneengesloten bebouwing is weergegeven.

Interessant was de aanwezigheid van vier grote grenenhouten kuipen en een halfronde stookplaats op één van de achtererven aan de Turfhaven (werkput 7). Begeleidend vondstmateriaal ontbreekt, doch een datering in de tweede helft van de 17e eeuw lijkt op grond van de stratigrafie het meest waarschijnlijk. De kuipen hadden een diameter van 1,50 tot 1,70 m. De wanden werden bijeengehouden door brede houten hoepels. In één der kuipen werd nog een roodbruin residu aangetroffen. De anderen vertoonden aan de binnenzijde dezelfde roodbruine kleur. Analyse van het residu zal mogelijk duidelijkheid kunnen verschaffen over de aard van het bedrijfje dat hier was gevestigd. Voorlopig wordt gedacht aan een ververij. Omdat geen muurresten van enige betekenis zijn aangetroffen, lijkt het erop dat het bedrijfje gefunctioneerd heeft in de open lucht of onder een eenvoudige overkapping.

Eveneens aan de zijde van de Turfhaven werden de resten van twee houten looppaden in de richting van het water blootgelegd (werkput 7 en 9). Ze waren onderling door eenzelfde looppad verbonden. Een gedeelte was door de bouw van de ververij weggebroken. De paden bestonden uit drie aaneengesloten rijen dikke eiken planken, die werden ondersteund door ruim 1 m uit elkaar gelegen dwarsbalken. De planken waren secundair gebruikt, zodat dendrochronologisch onderzoek niet zinvol was. Daterend begeleidend vondstmateriaal ontbrak hier eveneens. De stratigrafische ligging doet een datering in de late 16e of vroege 17e eeuwvermoeden. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat deze looppaden zijn aangelegd om bij hoog water enigszins droge voeten te kunnen houden. Vergelijkbare paden zijn naar verluid nog aan het begin van de 20e eeuw in gebruik geweest aan de zijde van de Vollerswaal.

De Vollerswaal was in de Middeleeuwen een groot water, dat in open verbinding stond met de Zuiderzee. Tussen dit water en de toenmalige stad lag volgens de overlevering een uitgestrekt moerassig gebied. Hoewel hierover geen duidelijke gegevens bestaan, lijkt het aannemelijk dat het ‘Jeudje’ in oorsprong van dit gebied deel uitmaakte. De resultaten van de opgraving ondersteunen deze veronderstelling. Overal onder de bebouwing werd een duidelijk in fasen opgebrachte ophoging met 16e-eeuws materiaal aangetroffen, die zich op een natuurlijk gegroeid rietveenpakket bevond. De waarnemingen die tijdens het afgraven van het terrein ten behoeve van de parkeergarage werden verricht, hebben dit beeld nog aanzienlijk kunnen verduidelijken. Hierbij bleek dat dwars over het terrein drie min of meer evenwijdige palenrijen liepen, waartegen zich horizontale planken bevonden. Een van deze palenrijen was reeds tijdens de opgraving blootgelegd op de grens van werkput 7 en 8, en toen als een erfscheiding geïnterpreteerd. Waarschijnlijker is echter dat het oude beschoeiingen of grondkeringen betreft, die bij verschillende uitlegfasen van het schiereiland behoren.

Niet ver van de Pakhuisstraat werd tijdens de waarnemingen in het rietveenpakket een sloot gevonden, waarin zich op een aantal plaatsen concentraties 15e-eeuws materiaal bevonden. Gezien zijn richting past deze sloot in het patroon van de pre-stedelijke verkaveling, dat nog herkenbaar is in de richting van de huiserven in het oudste gedeelte van de stad. Kennelijk was het terrein voordat het in de 16e eeuw tot een schiereiland werd vergroot al in gebruik, wellicht als uithof van de nabij gelegen kloosters.

Ten gevolge van aanzienlijke bodemverstoringen, veroorzaakt in de 19e en 20e eeuw, heeft de opgraving op het ‘Jeudje’ slechts in beperkte mate informatie over de vroegere bewoning opgeleverd. Nergens was het bij de gevonden huisfunderingen behorende woonniveau nog aanwezig en ook beerputten ontbraken geheel. Met zoveel water rondom was het gemakkelijker om het afval, al of niet via een riool, in Vollerswaal of Turfhaven te lozen. Bewijzen voor de vroegere aanwezigheid van joden op deze plek zijn dan ook niet gevonden. Het onderzoek naar de stadswal van 1508 was meer succesvol en heeft met name gegevens verschaft over vorm, bouwwijze en exacte ligging van de Geerten- en Agnietentoren. Ook over de wijze waarop de walkant van de Vollerswaal steeds verder is opgeschoven in de loop der tijd is meer inzicht verkregen.


Deze tekst is geschreven door T.Y. van de Walle-van der Woude en eerder gepubliceerd in de Kroniek van Noord-Holland over 1999.


In de volgende artikelen is ook meer te lezen over dit project:
Walle-van der Woude, T.Y. van de, 1999: ‘Voorlopige resultaten van opgraving Jeudje (I)’, Kwartaalblad Vereniging Oud Hoorn 1999/4, 139-143.
Walle-van der Woude, T.Y. van de, 1999: ‘Negen onderzoeksputten aan het Jeudje. De voorlopige resultaten van de opgravingen (II), Kwartaalblad Vereniging Oud Hoorn 2000/1, 11-15.