Het archeologisch en historisch onderzoek van zeedijken in West-Friesland

Elke dag wonen, werken en verplaatsen miljoenen Nederlanders zich door een droog en veilig land. Deze vanzelfsprekendheid is pas iets van de laatste halve eeuw, de eeuw dat ons land maakbaar werd. Steeds maar grotere, zwaardere en duurdere inspanningen zorgden voor droge voeten. Huzarenstukjes van waterbouwkunde werden gerealiseerd door gemeenschappelijk overleg –het spreekwoordelijke polderen-, technische voorbereiding en onderzoek. Voor de komende 50 jaar staan ons grote problemen te wachten, de zeespiegel stijgt door opwarming van de aarde, terwijl het land daalt en het nog meer gaat regenen. Zonder drastische maatregelen zullen de tijden van overstromingen en watersnoodrampen weer terugkeren. Daarom worden in het hele land rivieren verbreed, dijken verzwaard, zand opgebracht, gemalen vervangen of bijgebouwd.

Deze problematiek was maar al te bekend bij de generaties voor ons. De bewoners van de Lage Landen veroorzaakten door hun eigen ijver een bodemdaling. Veenkussens verdwenen door ontginning en ontwatering als sneeuw voor de zon. Door milieumatige veranderingen stroomde steeds meer zeewater het land binnen. Beveiliging daartegen werd gevonden in het bouwen van dijken, dammen, sluizen en watermolens; het ensemble dat ‘typisch Hollands’ zou gaan heten. De uit de nood geboren ingrepen bleken onomkeerbaar, hoe harder het water uit de polders en droogmakerijen werd gepompt, deste sneller het land zakte, waardoor de molens meer water moesten opvijzelen en de dijken steeds steviger werden uitgevoerd. Zwaardere dijken zakten steeds dieper weg in de slappe ondergrond, waardoor weer kans op breuk ontstond.

 

Gezicht op Hoorn, met de Omringdijk, de paalwering, een strijkmolen en bewoning in het buitendijkse land. Olieverfschilderij van Gaspar van Wittel (1652-1736).

Gezicht op Hoorn, met de Omringdijk, de paalwering, een strijkmolen en bewoning in het buitendijkse land. Olieverfschilderij van Gaspar van Wittel (1652-1736).

 

Het Nederlandse landschap van kronkelende dijken, met wielen, dijkwoningen, kerkjes en sluizen werd vanaf 1970 monumentaal gevonden. In alle kustprovincies werden delen ervan op de monumentenlijst geplaatst. Het grootse monument ligt in West-Friesland, het noordoosten van Noord-Holland. Dit is de huidige Westfriese Omringdijk, een gemeenschappelijke ringdijk van 126 km lang aangelegd tegen de toenmalige woeste Zuiderzee. Zoals veel andere dijken, was ook deze dijk na uitgesteld onderhoud kwetsbaar geworden. Het hoogwaterbeschermingsplan zorgde tussen 2007 en 2012 dat deze dijk op veilige hoogte werd gebracht. Dat werk is nu voltooid. Parallel aan dit werk verliep het archeologisch onderzoek aan de dijk.

De dijk van buiten oogt als een uniform geheel; rechte en slingerende stukken, aan de zeezijde belegd met gras en zware stenen of basalt, aan de landzijde een talud van gras met daarop schapen. De schijn bedriegt. Bij het versterken van de dijk ging deze tot op de ribbenkast open en kon de ontwikkeling van de dijk worden ontleed. De dijk tussen Hoorn en Enkhuizen bleek op een zeer diverse wijze te zijn gebouwd en een scala aan materialen te zijn toegepast. De worsteling van de bewoners van de polders om de dijk in stand te houden werd voor het eerst goed leesbaar. Archeologisch leesbaar wel te verstaan, want historische bronnen over hoe de dijkbouw precies in zijn werk ging, komen pas spaarzaam vanaf de Gouden Eeuw voor.

 

De doorsnede van de Klamdijk, bij het verdwenen dorp Lutjeschardam, zomer 2015. In het getrapte archeologische profiel zijn de zoden waarmee het kolkgat werd dichtgestort in het profiel te herkennen.

De doorsnede van de Klamdijk, bij het verdwenen dorp Lutjeschardam, zomer 2015. In het getrapte archeologische profiel zijn de zoden waarmee het kolkgat werd dichtgestort in het profiel te herkennen.

 

De kern van de dijk bestond op sommige 15de-eeuwse stukken uit grof gestapelde zoden. Daarover legde men een kern van gemixte klei en een bedekking van graszoden. Uit nood werd de dijk teruggelegd, soms zelfs over de kerkhoven heen. Opgravingen bij Oosterleek en Almersdorp lieten dit zien. Wanneer het zeewater dicht aan de dijk kwam, spoelde de klei weg. Als maatregel werd de zeezijde van de dijk dan weggeraven en vervangen door een paalwering met een wierriem. Een rij forse palen werd in de bodem langs het water geslagen, aan de voet kwam een puinbestorting. Tussen de dijk en de palen werd ontzilt zeegras vastgestampt om gezamenlijk een bolwerk tegen de zee te vormen. De palen werden met grote schepen, de houthaalders of katschepen, geïmporteerd uit zuidelijk Noorwegen en westelijk Zweden. De houttransporten voor de dijkbouw waren gigantisch, het veroorzaakte een milieuramp langs de fjorden. Nog was West-Friesland niet veilig.

Een ramp van Bijbelse omvang bracht een vloek over de dijken. De paalworm knaagde in twee jaar tijd van 1730 tot 1732 nagenoeg de hele paalwering weg. Het land leek verloren. Alleen door een gezamenlijk ultieme krachtsinspanning en astronomische kosten kon het vollopen van Noord-Holland en West Friesland worden voorkomen. Een zware steenwering bestaand uit onder meer keien van Drentse hunebedden werd aan de voet van de dijk gestort. De stenen werden per schip van heinde en verre aangevoerd, uit Jutland en wederom Noorwegen. Kastelen werden zelfs afgebroken om de dijk met breekpuin te versterken.

In het hele –voormalige- kustgebied van Nederland vind inmiddels onderzoek plaats naar het ontstaan en de bouwwijze van zeedijken. Veel data worden nu verzameld, synthese en conclusies uit het onderzoek is de volgende stap. Kennis van de dijken door archeologisch en historisch onderzoek is een essentiele factor in deze ontwikkeling. Het boek Dwars door de Dijk, over de archeologie en geschiedenis van de Westfriese Omringdijk tussen Hoorn en Enkhuizen, levert aan deze kennis een belangrijke bijdrage.