Bij archeologisch onderzoek aan de Driestedenweg 145 in De Weere kwamen in april 2024 verrassend duidelijke sporen uit de Bronstijd aan het licht. Onder een laatmiddeleeuwse ophogingslaag lagen eergetouwkrassen en een akkerlaag, die wijzen op landbouwactiviteiten op een zandige inversierug. Dit vormt het eerste concrete bewijs voor prehistorisch landgebruik binnen De Weere. Tot nu toe werd dit slechts vermoed op basis van het landschap. Een greppel onder dezelfde ophoging dateert mogelijk eveneens uit deze periode, al blijft de functie onzeker.
Uit de Late Middeleeuwen kwam alleen een 50 centimeter dikke, vondstarme ophogingslaag tevoorschijn, bedoeld om het dorpslint tegen wateroverlast te beschermen. Directe bewoningssporen ontbreken. Dit wijst erop dat dit deel van het perceel destijds wel onderdeel was van het dorpsgebied, maar niet bebouwd werd. De beperkte omvang van het onderzoeksgebied verklaart waarom geen aanwijzingen zijn gevonden voor verkaveling, huisplaatsen of een mogelijke middeleeuwse verplaatsing van de nederzetting.
De meeste structuren dateren uit de Nieuwe Tijd. Tot de oudste hiervan behoren een waterkelder, een rij paalkuilen die als erfafscheiding worden geïnterpreteerd en een klein bakstenen muurwerk, waarschijnlijk ouder dan de waterkelder en mogelijk uit de 17de of 18de eeuw. Deze elementen horen bij het erf van het langhuis dat op de kadastrale kaart van 1826 naast het perceel staat. Voor de 20ste eeuw zijn funderingen aangetroffen van het woonhuis dat na de grote dorpsbrand van 1938 op het perceel werd gebouwd. Het vondstmateriaal (vooral munten, gespen en kleine huishoudelijke objecten) past bij dagelijks gebruik en toont geen bijzondere ambachten of welvaart, maar schetst wel een continu beeld van bewoning van de 17de tot de 20de eeuw.