Vroegmiddeleeuws havengebied van Medemblik stap voor stap zichtbaar

09 maart 2026
Opgraving in het centrum van Medemblik, met de gedempte Oude Haven en het voormalige stadhuis op de achtergrond. Archeologen onderzoeken hier de middeleeuwse huizen en de opbouw van het middeleeuwse havengebied.

Aan de Oude Haven van Medemblik hebben archeologen eind januari resten blootgelegd die nieuw licht werpen op de vroege ontwikkeling van de oudste stad van West-Friesland. Hierbij zijn sporen aangetroffen van oeverversterkingen, aanplempingen en opeenvolgende middeleeuwse houten huizen. Deze laten zien hoe het havengebied zich tussen circa 800 en 1350 n. Chr. geleidelijk heeft ontwikkeld. De resultaten sluiten aan bij ouder onderzoek uit de jaren ’70-’90, maar voegen daar dankzij nieuwe onderzoeksmethoden belangrijke nieuwe gegevens aan toe.

De opgraving vond plaats op een locatie die al decennialang bekend staat als archeologisch kansrijk. “Al in de jaren zeventig en tachtig werd hier in de directe omgeving onderzoek gedaan, onder meer door onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam,” zegt projectleider Sander Gerritsen. “Wat wij nu doen, is met deze nieuwe opgraving die oude waarnemingen opnieuw tegen het licht houden. Daarvoor gebruiken wij fijnere analysetechnieken die toen eenvoudigweg nog niet mogelijk waren.”

Van oeverzone naar bebouwing

De oudste aangetroffen lagen bestaan uit aangeplempt materiaal en oeverconstructies langs de vroegere loop van veenrivier de Middenleek. Dit is de voorloper van de huidige Oude Haven. Bewoning uit deze aller vroegste fase is in de opgraving zelf niet aangetroffen. Deze zal zuidelijker ter hoogte van het Bakkerijmuseum aan de Nieuwstraat hebben gelegen. Wel is duidelijk dat de oeverzone van de handelsnederzetting intensief werd gebruikt: afval werd hier gedumpt en het land werd stap voor stap uitgebreid richting het water. Het oudste vondstmateriaal lijkt te dateren van kort na 800 n. Chr. Deze datering wordt na analyse van de genomen monsters en verzamelde vondsten verder aangescherpt.

Pas vanaf de late 12de eeuw ontstaat op de onderzochte plek daadwerkelijk ruimte voor huizenbouw. Binnen het onderzoeksgebied zijn drie rechthoekige houten huizen aangetroffen. Deze zijn steeds opnieuw op vrijwel dezelfde locatie zijn herbouwd. Het zijn geen boerderijen maar de houten voorlopers van de huidige bakstenen huizen. In totaal is van deze huizen meer dan twee meter aan ophogingen, vloeren en gebruikslagen gedocumenteerd. Bijzonder is dat veel funderingshout van de middeleeuwse huizen is gevonden.

“Wat we hier zien, is een langdurig proces van ingrepen aan het water,” zegt Gerritsen. “De bodemopbouw laat zien hoe deze zone eerst werd ingericht en opgehoogd voordat er kon worden gebouwd. Die gelaagdheid vertelt ons veel over de manier waarop mensen dit natte landschap naar hun hand hebben gezet.”

Nieuwe methoden, nieuwe inzichten

Opvallend aan het onderzoek is het intensieve gebruik van moderne analysetechnieken. Er zijn tientallen monsters genomen voor houtsoortbepaling en dendrochronologisch onderzoek, waarmee kapjaren en de herkomst van het hout kunnen worden vastgesteld. Daarnaast zijn OSL-monsters genomen, een techniek waarmee kan worden bepaald wanneer zand of klei voor het laatst aan daglicht is blootgesteld. Hiermee kan de ouderdom van de verschillende aanplempingslagen worden gedateerd. Ook zijn koolstofmonsters genomen uit schelpen en brandlagen, evenals grondmonsters voor verder specialistisch onderzoek.

Metaaldetectie speelde eveneens een belangrijke rol. Elke laag en elk vlak is systematisch onderzocht, zowel in de werkput als in de uitgegraven grond. Dat leverde onder meer vroegmiddeleeuwse schijffibulae (draagspeldjes) op, die direct aan specifieke lagen kunnen worden gekoppeld. Zulke persoonlijke voorwerpen geven niet alleen een datering, maar zeggen ook iets over identiteit, status en contacten van de mensen die zich hier ophielden.

Het veldwerk werd soms in bittere koude en sneeuw uitgevoerd door een hecht team van archeologen en specialisten, waarbij iedereen vanuit zijn eigen expertise bijdroeg. Die samenwerking was essentieel om het complexe en gelaagde bodemarchief goed te kunnen lezen.

“Dit onderzoek draait niet om één spectaculaire vondst,” benadrukt Gerritsen. “De kracht zit juist in het grote aantal zorgvuldig verzamelde monsters en waarnemingen. Daarmee kunnen we bestaande ideeën toetsen en het verhaal veel preciezer onderbouwen.”

Fries of Frankisch?

De resultaten passen in een bredere discussie over het ontstaan van handelsplaatsen in het vroegmiddeleeuwse Noordzeegebied, in een periode waarin Friese machtsstructuren onder druk kwamen te staan en Frankische invloed zich langs de kust en het de binnenzee uitbreidde. Oudere interpretaties gingen uit van een zeer vroege, mogelijk 7de-eeuwse bewoning. Recent onderzoek laat zien dat een deel van deze plekken waarschijnlijk later en planmatiger tot stand kwam. Medemblik lijkt daarin geen uitzondering, al blijft het precieze moment en karakter van de vroegste bewoningsfase onderwerp van discussie.

“Wat deze opgraving vooral laat zien,” zegt Gerritsen, “is hoeveel we nog niet weten over vroegmiddeleeuws Nederland. Door oude opgravingen opnieuw te verbinden met nieuw onderzoek en nieuwe methoden, krijgen we steeds beter zicht op hoe nederzettingen zich ontwikkelden in wisselwerking met water en landschap.” De komende periode worden de monsters en vondsten verder geanalyseerd. De resultaten daarvan moeten de voorlopige dateringen aanscherpen en nieuwe inzichten opleveren in de ontwikkeling van Medemblik als vroeg haven- en nederzettingsgebied. Daarna gaan de archeologen een rapport schrijven.